Accueil Séances Plénières Tables des matières Législation Biographies Documentation Note d’intention

Van Isacker Philip (1884-1951)

Biographie

(Extrait du Standaard, du 12 mars 1951)

In de nacht van Zaterdag op Zondag is dhr Ph. van Isacker, oud-minister, in een Brusselse kliniek overleden.

Dhr Philip Van Isacker werd geboren te Torhout in 1884. Als jongeman studeerde hij aan de Leuvense universiteit en promoveerde tot docter in de Wijsbegeerte en Letteren afdeling geschiedenis. Daarna zette hij zijn studies verder aan het kunsthistorisch instituut te Rome.

In 1913 vestigde hij zich te Mechelen als leraar in de geschiedenis aan het Kon. Atheneum. Als student reeds nam hij deel aan de taalgrensactie en aan de actie tot de vervlaamsing van de Gentse universiteit. Over deze vervlaamsing verscheen van zijn hand een belangrijke brochure.

Gedurende de oorlog 1914-1918 nam hij actief deel aan hetgeen men naderhand genoemd heeft « De ondergrondse Vlaamse Beweging ». die de omvorming van de Katholieke Partij. in 1918 voor gevolg had. Bij het invoeren van de standsorganisatie in de Katholieke Partij werd dhr Van Isacker tot volksvertegenwoordiger gekozen in het arrondissement Mechelen, na een heftige strijd met de afgescheurde franskiljonse katholieken. Als volksvertegenwoordiger volgde hij dan opnieuw cursussen aan de Leuvense universiteit en behaalde het diploma van doctor in de Rechten, waarna hij zich als advokaat te Mechelen vestigde.

In 1930 werd volksvertegenwoordiger Van Isacker minister van verkeerswezen en P.T.T. en enkele tijd nadien minister van Economische Zaken. In die hoedanigheid opende hij in 1935 de Internationale Tentoonstelling te Brussel en zat hij in het kader van die tentoonstelling talrijke grote plechtigheden voor.

Kort voor de tweede wereldoorlog verliet dhr de stad Mechelen, waar hij jaren lang had deel gemaakt van de gemeenteraad, en trok zich meteen terug uit de politiek. Hij werd namelijk aangesteld tot ondervoorzitter van de Kredietbank en vestigde zich te Brussel.

Na de bevrijding is hij een der eerste slachtoffers geweest van de repressie. Later heeft hij alles in het werk gesteld om de door de repressie getroffenen in de mate van het mogelijke te helpen.

Tot op heden is dhf Van Isacker ook voorzitter geweest van de Mechelse Kamer voor Handel en Nijverheid en nationaal voorzitter van de Bond der Grote Gezinnen. Tevens was hij professor aan de Katholieke Hogeschool voor Vrouwen te Antwerpen. Hij was drager van talrijke Belgische en buitenlandse eretekens.

Oud-minister Van Isacker heeft vier kinderen. Zijn oudste zoon. E. P. Karel Van Isacker is gewezen hoofdrefactteur van De Vlaamse Linie en thans docent aan de Handelshogeschool te Antwerpen. Frans Van Isacker is als advokaai gevestigd te Mechelen en heeft reeds een grote bekendheid verworven als auteur van twee romans. Zijn jongste zoon studeert nog aan de Leuvense universiteit, terwifl zijn dochter, de oudste van zijn vier kinderen, gehuwd is met Dr Willemeyns van Brugge.

Philip Van Isacker is steeds een overtuigd katholiek en Vlaming geweest. Ziin nagedachlenis zal door alle landgenoten en vooral door de Vlamingen in een gehouden worden als die van eers goed staatsman en een eerlijk volksleider.

Aan Mevr. Van Isacker, aan E, P. Van Isacker en aan de gehele familie, bieden wij de betuiging aan van onze innige christelijke deelneming.


(DE LANNOY H., Isacker Philip, dans Nationaal Biografisch Wordenboek, Bruxelles, 1990, t. 13, col. 427-434)

ISACKER (van) Philippe Joseph Aimé, vlaamsgezind katholiek politicus.

Geboren te Torhout op 18 dec. 1884 als zoon van Philogène (25 sept. 1855-30 okt. 1933), een apotheker uit een landbouwersgeslacht, en van Aline Huyghebaert (6 okt. 1858-20 nov. 1937) ; overleden te Brussel op 11 maart 1951. Van Isacker had drie broers, Rodolf, Paul en André. en één zuster, Maria. Op 14 sept. 1912 huwde hij te Ninove met Charlotte Prove (11 aug. 1884-10 feb. 1968). Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren : Karel (26 juni 1913), jezuiet, historicus en professor aan de UFSIA ; Lena (30 sept. 1914-22 nov. 1988), die een opleiding genoot aan de Katholieke Hogeschool voor Vrouwen te Antwerpen ; Frans (04 feb. 1920), advocaat, professor aan de RUG en romancier ; Jan (4 april 1924), jurist en Public Relations Manager Ford Genk,

Na de oude humaniora aan het jezuietencollege te Turnhout gevolgd te hebben, studeerde Van Isacker aan de Katholieke Universiteit te Leuven, waar hij in 1908 tot doctor in de geschiedenis promoveerde. Daarna deed hij aan archiefonderzoek en verbleef van feb. 1909 tot mei 1910 in het Belgisch Historisch Instituut te Rome, waar Mgr. Pottier hem in christen-democratische richting beïnvloedde. Eind 1910 werd hij studiemeester te Aat, een jaar later te Gent en in sept. 1912 Ieraar geschiedenis aan het Kon. Atheneum te Mechelen. Volgens zijn latere kabinetschef Dr. J..A. Goris (Marnix Gijsen) was hij van temperament eerder een kamergeleerde, en had hij als historicus een briljante carrière kunnen maken.

Zoals vele jonge intellectuelen van zijn tijd besefte hij dat de Vlaamse achterstand alleen door politieke actie kon worden ingelopen. Hij was een van de mensen in wie de symbiose van christen-democratie en vlaamsgezindheid belichaamd was. Reeds te Leuven was hij betrokken geweest bij manifestaties voor de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit als auteur van dag- en weekbladartikelen en als spreker op studentenbijeenkomsten. Van 1910 tot 1911 deed hij zich o.a. met Jozef Goossenaerts, Adiel Debeuckelaere en Staf de Clercq opmerken tijdens de wekelijkse propagandatochten van hun taalgrensactiecomité om in de taalgrensdorpen het Vlaams bewustzijn wakker te maken.

Tijdens W.O. I engageerde hij zich te Mechelen als ondervoorzitter van een plaatselijk Comité voor Volksvoordrachten, dat gesticht en geleid werd door Maurits Sabbe, eveneens toen atheneumleraar, en de culturele actie van Davidsfonds, Willemsfonds en Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding gezamenlijk zou voortzetten gedurende de bezetting. Zo kwam hij in contact met gelijkgezinde jonge katholieke Mechelaars als priester Ivo Cornelis, die hij reeds te Rome gekend had, en diens vriend Alfons Verbist, toen leraar aan de Katholieke Normaalschool. Samen stichtten zij een gesloten studiekring, die zich afzette tegen het activisme en tegelijk de katholieke Vlaamse actie van na de oorlog zou voorbereiden. Consequent ondertekende V.an Isacker begin 1916 een opgemerkte protestbrief mee van een groep vooraanstaande flaminganten tegen de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit door de bezetter, en weigerde er ook een leerstoel.

De eerste maanden na de oorlog was hij betrokken bij de redactie van De Standaard. In 1919 publiceerde hij een brochure over De vervlaamsing van ons Hoger Onderwijs als antwoord op de bisschoppelijke onderrichtingen van vóór de oorlog. Hij voegde meteen de daad bij het woord en behoorde met o.a. Maria Belpaire, Margriet Baers, J. Persijn, H. Verwilghen en J. Muls tot de stichters van de Katholieke Vlaamse Hogeschool voor Vrouwen te Antwerpen. Om de progressieve krachten in Mechelen te bundelen, werd onder zijn leiding op 16 feb. 1919 een arrondissementeel Katholiek Vlaams Verbond opgericht, waarin ook A. Verbist een belangrijk aandeel had. Toen de vlaamsgezinde katholieken in Mechelen een drastische verjonging van de Kamerlijst voor de parlementsverkiezingen van 16 nov. 1919 afdwongen, kwam hij, na de weigering van Verbist - die vasthield aan zijn vaste benoeming als leraar - als afgevaardigde van de arbeidersstand op een verkiesbare plaats en werd verkozen. De volgende maanden werkte hij mee aan de uitbouw van een stedelijke en arrondissementele Werkliedenbond. Hij was medestichter, een van de belangrijkste auteurs en lid van de Raad van Bestuur van Het Volksbelang, een publikatie die vanaf 25 dec. 1920 de Vlaamse ideeën bij de arbeiders wou helpen verspreiden.

In het najaar van 1920 werd Van Isacker secretaris van de Katholieke Vlaamse Kamergroep ; de zorgvuldig opgestelde notulen (okt. 1920-dec. 1930) zijn bewaard gebleven. In feb. 1921 promoveerde hij te Leuven tot doctor in de rechten, liet zich inschrijven bij de balie te Mechelen en deed stage bij het katholieke gemeenteraadslid Jules Nobels, gewezen schepen. Na april 1921 bekleedde hij het mandaat van gemeenteraadslid te Mechelen, wat hij steeds als een lastige karwei ervaren heeft. Hij werd ook bestuurslid van het Vlaams Economisch Verbond, opgericht in 1926, samen met o.a. J. van Caeneghem, G. sap, P. Heymans, G. Eyskens en A. Vanderpoorten. In dec. 1927 werd hij quaestor van de Kamer.

Als volksvertegenwoordiger deed hij zich vooral opmerken tijdens de Kamerdebatten rond de amnestiekwestie en de taalwetgeving. Op 9 dec. 1926 diende hij samen met F. van Cauwelaert, de socialisten E. Soudan en M. Somerhausen en de liberaal J. Boedt een wetsvoorstel in voor amnestie. Op 8 maart 1928 diende hij een wetsvoorstel in tot regeling van het taalgebruik in burgerlijke en handelszaken in het Vlaamse land. Dit leidde niet alleen tot hevige debatten, maar ook tot de wet van 15 juni 1935 op “het gebruik der talen in gerechtszaken", die ingrijpende wijzigingen bracht in de heersende toestanden.

In de zomer van 1928 wees hij n.a.v. Kamerdebatten over het taalgebruik in het leger op de inconsequente houding van vele Franstalige politici. Met name gewezen minister Jules Destrée moest het ontgelden, aan wie hij verweet enerzijds op administratieve scheiding aan te dringen en anderzijds de volledige vernederlandsing van de Gentse universiteit te bestrijden.

Op 6 juni 1931 werd Van Isacker minister van Verkeerswezen. Na een herschikking in de regering-Renkin op 23 mei 1932 werd hij vervangen. Enkele maanden later, op 17 dec. 1932, kwam hij opnieuw in de regering, toen het departement Nijverheid, Arbeid en Sociale Voorzorg opgesplitst werd tussen hemzelf voor de eerste twee bevoegdheden en de katholieke conservatief Carton de Wiart voor Sociale Voorzorg. Van Isacker had een harde dobber aan het indijken van de, volgens de regering, onhoudbaar hoge overheidstoelagen voor werklozen. De strakke deflatiepolitiek van Carton de Wiart kreeg echter spoedig met nog meer weerstand te kampen, en bij de volgende regeringsherschikking op 12 juni 1934 kwamen Arbeid en Sociale Voorzorg aan de christen-democraat Van Isacker.

Als minister wees hij op het 15de Congres van de Katholieke Vlaamse Landsbond van 28 en 29 juli 1934 te Mechelen op de Vlaamse belangen op economisch vlak, en hij verdedigde de werking van de Landsbond, een organisatie die hem trouwens zeer nauw aan het hart heeft gelegen.

Op 19 nov. 1934 erfde Mi het departement Economische Zaken van F. van Cauwelaert. Dit departement, dat pas sinds juni 1934 bestond, werd onder zijn impuls verder uitgebouwd en kenmerkte zich door het evenwicht tussen Nederlands- en Franstalige ambtenaren. Een grote inbreng had hij bij de organisatie van de Wereldexpositie te Brussel in 1935. Hij was een van de eerste ministers die Vlamingen aan het hoofd van Belgische vertegenwoordigingen in het buitenland benoemde.

Bijzonder moeilijk kreeg hij het in het eerste kabinet-Van Zeeland, dat op 25 maart 1935 gevormd werd. Onder druk van de economische crisis gooide deze regering van katholieken, socialisten en liberalen het roer om met een programma van “economische vemieuwing". Van Isacker kreeg de zware taak om tegelijk de belangen van de arbeiders te behartigen en de soberheidspolitiek door te drukken door structuurhervormingen in het economische bestel, vooral in het bankwezen, en devaluatie van de frank om economische expansie mogelijk te maken. De harde maatregelen misnoegden velen, ook eigen militanten. Voor de parlementsverkiezingen van 24 mei 1936 werd de kandidatuur van Van Isacker pas na heel wat discussie in het Mechelse Werkersverbond en in de plaatselijke en arrondissementele partijafdelingen aanvaard, mede dank zij de persoonlijke interventie en actie van zijn gezaghebbende vriend senator A. Verbist. Van Isacker vatte toen reeds het plan op om zich een volgende keer in zulke omstandigheden niet meer kandidaat te stellen.

De katholieke verkiezingsnederlaag, de stakingen van juni 1936 en het gemis aan dynamiek van de regering-Janson deden hem op 7 feb. 1938 enigszins ontgoocheld ontslag nemen als minister. Enkele dagen later stapte hij ook uit het Parlement en de Mechelse gemeenteraad. Korte tijd later werd hij ondervoorzitter van de Kredietbank en hij bleef dit tot aan zijn dood in 1951.

Van Isacker had 18 jaar als volksvertegenwoordiger gezeteld, waarvan 7 jaar als minister. Hij heeft kunnen rekenen op de steun van eminente kabinetschefs als J.-A. Goris en G. Eyskens. Onder zijn kabinetssecretarissen o.a. R. Houben en C. Neefs zich opmerken. Na hem veranderde het departement van Economische Zaken op twee jaar tijd zesmaal van titularis.

In het sociale en culturele leven bleef Van Isacker tot aan zijn dood zeer actief. Sinds 1934 was hij lid van de Algemene Raad van de K.U. Leuven. Hij was algemeen voorzitter van de Bond van Kroostrijke Gezinnen en voorzitter van het Woningfonds voor Kroostrijke Gezinnen. Hij stond aan het hoofd van de Belgisch-Luxemburgse delegatie in de Permanente Nederlands-Belgisch-Luxemburgse Commissie ; na W.O. II werd hij voorzitter van de Economische Sectie van het Benelux-Comité. Van 1946 tot 1947 was hij ondervoorzitter van de Belgische Vereniging der Banken, en in 1948-49 van de Afdeling voor Sociale Aangelegenheden. Van bij de installatie op 8 juni 1949 van het zgn. Centrum-HarmeI, dat een oplossing zocht voor de communautaire vraagstukken, was hij een van de 24 extra-parlementaire leden, samen met o.a. G. Schmook, M. Vandekerckhove en R. Vandeputte.

Waardevolle gedenkschriften, door hem opgesteld in 1942-44, werden in 1953 postuum door de familie uitgegeven. De Papieren-Van Isacker worden bewaard bij zijn zoon Frans te Muizen bij Mechelen. In deze verzameling bevinden zich, op enkele verslagen na, de notulen van de Katholieke Vlaamse Kamergroep voor de periode 1920-30. Ook foto's en portretten zijn te vinden bij ziin zonen, o.a. een portret van Gustaaf van de Woestijne uit ca1946, bewaard bij Karel Van Isacker. In het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven te Antwerpen bevinden zich brieven, knipsels, portretten en necrologieën.


(Extrait du Pourquoi Pas ?, du 11 décembre 1931)

II n'en a pas l'air, n'est-ce pas, avec ses grosses lunettes, sa redingote noire et son aspect de pion mélancolique, mais il n'en est pas moins le ministre de l'Aéronautique et des Transports, le chef responsable du plus moderne de nos départements.

Il est vrai que l'habit ne fait pas le moine, qu'on peut être ministre de l'Aviation sans s'habiller en aviateur, comme on peut être ministre de la Guerre. quand on s'appelle Dens, sans s'habiller en général, qu'il n'est même pas tout à fait indispensable, pour diriger - administrativement, bien entendu - l'air et les vents, de monter tous les jours en avion et d'exécuter des raids sensationnels comme le sémillant collègue français de notre Van Isacker national, M. Jacques Dumesnil. Malheureusement, cette fois, si l'habit, ou plutôt l'habitus, est terriblement révélateur, non pas du moine, mais de l'homme, il faut bien reconnaître que cet excellent Van Isacker était aussi fait pour être ministre des Transports que les rédacteurs de cette gazette pour jouer du saxophone.

Au fait, était-il fait pour être ministre de n'importe quoi ? Il y a des gens malintentionnés qui prétendent qu'aucun cas n'a jamais mieux caractérisé ce vice fondamental du régime parlementaire que Chartes Benoist définissait dans cette formule : « N'importe qui étant bon à n'importe quoi. on peut toujours le mettre n'importe où », et que si M. Lippens, en quittant le ministère de l'Aéronautique et des Transports, avait voulu se payer largement la tête présumée de son successeur, il aurait choisi M. Van Isacker. Mais M. Lippens n'a pas choisi M. Van Isacker qui a tout fait pour se choisir lui-même, mais que les circonstances ont beaucoup aidé.

Elu par la Nation au siège de député de Malines, en effet, M. Van Isacker n'eût jamais osé espérer devenir ministre en un aussi bref délai, si la chute du cabinet Jaspar, et la difficulté que l'on eut à le remplacer avaient ouvert la voie à toutes les « utilités » du Parlement. On le connaissait peu à la Chambre, où il allait d'un petit pas rapide et discret, trottinant et préoccupé, affligé d'obscurité, de médiocrité, d'effacement et d'une politesse obséquieuse qui amusait prodigieusement les maîtres de l'heure. Jamais, ni sa famille, ni ses amis n'eussent espéré pour lui la gloire incomparable que confère un maroquin de première classe.

Il est né à Thourout, ce qui ne veut rien dire. Tout le monde peut naître à Thourout. Mais le jeune Van Isacker tenait de Thourout avec des talents moyens, un goût très vif de l'ascension illimitée. S'il était demeuré dans son arrondissement natal, il eût trouvé à se commettre à la fois avec M. Marquet et avec M. Brusselmans, le premier grand hôtelier et le second grand marchand. M. Van Isacker n'a pas d'ambition hôtelière et il n'est du Boerenbond que très indirectement. Au total, c'est le type classique de ce qu'on appelle un « menneke », c'est-à-dire un bon petit jeune homme appelé à faire tranquillement son petit bonhomme de chemin comme tout le monde.

Il alla donc à Louvain, comme tout le monde, et y fit un doctorat en histoire. Ce fut un détestable doctorat et un historien nul. Ses maîtres, dom Berlière et le chanoine Cauchie. voyaient en lui un olibrius moins ridicule mais aussi quelconque que le philologue Carnoy. A Rome. on le fit travailler au Collège belge d'Histoire. Ce fut du temps perdu, et de l'argent jeté. Le jeune homme était bon tout au plus à se faire petit professeur. Tout ce Parlement nouveau est rempli d'ailleurs d'universitaires, depuis Camille Huysmans. qui a la marotte de la toponymie et de la toponymie, jusqu'à Blavier qui est du même tonneau. Heyman est instituteur, Sap et Brusselmans, professeurs, sans parler de Van Dievoet. Il en est de brillants, de sérieux, de valeureux. Van Isacker était certainement le moins brillant. Il ne fut ni professeur, ni historien, ni juriste, ni conducteur d'hommes. Il fut simplement député de Malines et ministre.

Pourquoi prit-on M. Van Isacker ptutôt que M. Rubbens ou M. Brutsaert ? Simplement parce on voulait un ministre suffisamment empressé et soumis, qui n'eût rien d'autre à faire, et qui fût de Malines. Dans cet arrondissement où les influences sénatoriales sont partagées entre le duc d'Ursel et le frontiste Van Dieren, on peut toujours trouver des gens disposés à jeter leur dévolu sur un Van Isacker.

Celui-ci ne se fit pas prier. Il mit un haut de forme et alla chez le Roi, marchant prudemment dans le sillage de M. Heyman, doyen et patron des seconds violons parlementaires. Ce fut une séance prolongée. M. Dens était congestionnée luisant et cravaté comme évêque. M. Van Dievoet, blême, falot, mais sûr de lui, fier de sa science juridique. M. Cocq était content. De loin, à la fenêtre de son ministère, M. Heyman prenait un air d'habitué. Tous avaient vaguement le souci de n'être pas grotesques et la conscience de n'être ridicules qu'à moitié. Le Roi les regardait curieusement, se demandant quelle singulière faune à lunettes et à paletot noir on allait lui amener encore. Mais il est constitutionnel : il se dit que ceux-ci, en somme, en valaient bien d'autres.

* * *

On peut toujours former des élèves ministres. M. Heyman, comme M. Baels, quand ils furent au pinacle, étaient de triomphales médiocrités, mais M. Jaspar leur avait appris vite à se tenir comme il faut, à écrire sans fautes et à faire des visites en ville. Pour le maintien, M. Hymans était un peu là. Après cela, on ne leur demandait pas leur avis. Aux réunions du Conseil des Ministres, M. Heyman était apprécié pour sa franchise et sa loyauté, mais à cette condition seulement qu'il marchât au pas. M. Baels ne marchait pas du tout et M. Jaspar, quand il avait quelque chose sur le cœur, se consolait en lui lavant copieusement la tête. M. Baets qui était trop content de dormir dans un fauteuil ministériel, dormait tout de même.

Aujourd'hui, les choses ont changé. M. Heyman a pris du galon et, au lieu de recevoir des conseils, il en donne. M. Dens est ministre. M. Van Isacker l’est aussi. II roule dans la voiture de M. Lippens, tout seul dans une limousine. comme un grand garçon. On dit même qu'il monte en avion. C'est à peine croyable, et les gens de Thourout ne l'admettront que lorsqu'ils l’auront vu. M. Crokaert a acheté un monocle, mais ses lunettes étaient déjà d'un bâtonnier de Bruxelles. M. Van Isacker a remplacé ses bésicles par des lunettes américaines cerclées de noir. Il apprend. il apprend. Il s’y connaissait seulement en vogelpik. Maintenant, il fait des discours sur les biplans et les monoplans. Cette fois, même à Malines, on n'en veut plus rien croire. Quel chemin parcouru depuis le temps où ses professeurs, à Louvain, se désolaient qu'on ne pût vraiment rien en faire !

* * *

Il est certain que tous nos nouveaux ministres ne sont pas da même niveau que M. Van Isacker. M. Crokaert, par exemple, et M. Van Dievoet sont d'une autre classe. Mais M. Van Isacker est un peu un symbole. Las grands noms s'usent vite en démocratie parlementaire. Quand on renversa l'équipe Jaspar-Janson-Broqueville-Lippens, on s'aperçut qu'il ne restait plus grand-chose. Ni M. Van Cauwelaert ni M. Devèze n'étaient pressés d'aller se faire enfumer dans ce guêpier. M. Tschoffen était hors concours, et M. van de Vyvere hors cause. M. Van Overbergh a trop mauvais caractère, et M. Carton de Wiart l'a trop bon. M. Masson n'est plus candidat, et M. Ingenbleek ne l’était pas encore. Il fallut prendre dans la moyenne, dans l'honnête moyenne, mais dans la plus grosse.

Voilà qui a mené le plus falot des ministres à la tête du plus moderne de nos départements : l'amirauté, l'aviation, les canaux, les chemins de fer. On imagine un Etat, dont le pouls irait au rythme des Inventions modernes, de sa frénésie, de ses grandes manières mondiales, de ses inventions gigantesques, mené par un professeur de village !

M. Lippens, par son physique, sa virtuosité de polyglotte, sa brusquerie, sa colossale force de travail et d'invention, représentait assez ce qu'on attend d'un ministre des Transports au XXème siècle. M. Van Isacker, avec ses grosses lunettes sur son nez de pion, tient en mains des trains, des moteurs, des transatlantiques, des écluses, des barrages et des gares aériennes. On s'en étonne au début ; on en rit ensuite, et puis, on s'y habitue. On a déjà va tant de choses depuis dix ans !

La Droite aura quelque peine refaire son contingent de comingmen. Les autres partis aussi d'ailleurs. Il fut un temps, vers 1909, où on laissa entrer triomphalement la jeune démocratie, avec Renkin et Carton. Ce fut le tour ensuite de la jeune droite flamande. Il fallut ensuite plus jeune encore, plus jeune que M. Van Cauwelaert. Comme les hommes du jour ont mis de coté froidement les jeunes intellectuels de barreau, de journalisme ou d'université, il faut bien choisir parmi ceux à qui le barreau, le journalisme et la science ont été moins indulgents. On fait alors des ministres comme on peut avec ce qu'on trouve et, après tout, dans ce genre, Van Isacker en vaut un autre.


Voir aussi : DE LANNOY H., Van Isacker, Philip , sur le site de la Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (consulté le 13 avril 2026)