Accueil Séances Plénières Tables des matières Législation Biographies Documentation Note d’intention

Van Dievoet Emile (1886-1967)

Portrait de Van Dievoet Emile

Van Dievoet Emile catholique

né en 1886 à Lombeek-Sainte-Catherine décédé en 1967 à Louvain

Ministre (agriculture, classes moyennes et justice) entre 1931 et 1939

Biographie

(Extrait du Standaard, du 26 juin 1967)

Zaterdag 24 juni in de ochtenduren overleed in zijn woning te Leuven professor-emeritus baron Emile Van na een kortstondige ziekte. Professor Van werd op 10 juni 1886 te St.-Katarina-Lombeek (Brabant) geboren. Hij was doctor in de rechten en doctor in de politieke en sociale wetenschappen van de universiteit van Leuven en studeerde aan de universiteiten van Parijs, Heidelberg en Bern. Professor van werd tot docent aan de katolieke universiteit te Leuven benoemd in 1918 en tot gewoon hoogleraar aan de rechtsfakulteit bevorderd in 1920, welke funktie hij zowel in de Nederlandstalige als in de Franstalige sektie waarnam. tot in 1954, toen hem het emeritaat werd verleend.

Hij was koninklijk kommissaris het verzekeringswezen voor (1937-1938), gewezen stafhouder van de orde der advokaten van Leuven, voorzitter van de centrale kommissie voor de Nederlandse rechtstaal en bestuurstaal in België, lid van de hoge raad der gevangenissen, van de technische kommissie voor de uitvoering van het Nederlands-Belgisch kultureel akkoord, lid van de vaste kommissie voor het onderzoek der vraagstukken van internationaal privaatrecht (1937-56), voorzitter van de kommissie voor private verzekeringen (1930-62), voorzitter van de kommissie voor arbeidsongevallen (1945-63), lid van het vast komitee van de raad voor wetgeving (1944-47), voorzitter van de kommissie belast met de voorbereiding van de Nederlandse tekst van de grondwet (1954), lid van het hoofdbestuur van de Boerenbond, lid van de Koninklijke Vlaamse Akademie voor Wetenschappen, letteren en Schone Kunsten (1939), direkteur van de klasse der letteren (1941-42), lid van de Koninklijke Akademie voor Wetenschappen (1946), lid van de maatschappij voor Nederlandse letterkunde te Leiden, lid van het provinciaal Utrechts genootschap van kunsten en wetenschappen, voorzitter van het Vlaams rechtsgenootschap Leuven (1919-39) (1939), en lid van de raad van beheer van de Vlaamse leergangen te Leuven (1924-57), voorzitter van de Algemene Spaaren Lijfrentekas (1952-54), lid van de algemene raad (1952-54) en regent van de Nationale Bank van België (1947-54).

Prof. Van Dievoet heeft naast zijn wetenschappelijke loopbaan ook een politieke rol gespeeld. Hij zetelde in de kamer van volksvertegenwoordigers van 1919 tot 1936 voor de Katolieke Partij, was minister van landbouw in 1931-32 en minister van justitie in 1939. Belangrijk was zijn aandeel in de vernederlandsing van de leergangen bij de universiteit te Leuven. De jongste jaren maakte hij zich verdienstelijk als voorzitter van de kommissie voor de Nederlandse rechtsen bestuurstaal en bij de voorbereiding van de Nederlandse tekst van de grondwet en verschillende wetboeken. De officiële Nederlandse tekst van de grondwet die onlangs door het parlement werd goedgekeurd werd door de kommissie-van opgesteld. De koning verleende de overledene in april jl. de titel van baron.


(Extrait de Ons Volk (Ontwaakt), du 6 février 1927)

Professor Emiel Van Dievoet, hoogleeraar in de Rechtfaculteit te Leuven, door Fernand Van Goethem

De bespreking van het ontwerp van nieuwe pachtwet heeft de aandacht van breede kringen gevestigd op den verslaggever van de middenafdeeling der Kamer : Professor Emiel van Dievoet, volksvertegenwoordiger voor het arrondissemcnt Brussel. Er zijn na tuurlijk voor en tegenstanders der nieuwe pachtregeling, maar allen zijn het nochtans eens, om hulde te brengen aan de bevoegdheid van den verslaggever, en Minister Baels kon er in de Kamerzitting van 18 November I.I. wijzen, hoezeer de studie van het pachtvraagstuk door het werk en het gezag van prof Van Dievoet was vooruitgegaan.

De vorige week is de pachtwet opnieuw op de parlementaire dagorde verschenen ; niemand zal zich dan ook verwonderen, over het gebleken verlangen, om niet enkel den “vader der pachtwet” aan de lezers van “Ons Volk Ontwaakt” voor te stellen, maar hoofdzakelijk den bevoegden en beminden hoogleeraar in de reeks van Vlaamsche geleerden te zien plaatsnemen, die door ons geïllustreerd weekblad, met zooveel gepastheid, is begonnen.

* * *

Hoogleeraar Erniel Van Dievoet werd op 10 Juni geboren te Catharina-Lobeek (arrondissement Brussel). Hij deed zijn humaniorastudies in het klein seminarie te Mechelen en kwam na zijn Rhetorika naar Leuven - niet echter om er zijn hoogere studies te maar om betrekking in den Beerenbond te aanvaarden : Emiel Van Dievoet werd bediende in de afdeeling “Verzekeringen” van den Boerenbond.

Het Zal ongetwijfeld op dat oogenblik aan den jongen man, die van groote belangstelling voor studie had blijk gegeven, nogal pijnlijk zijn gevallen, door de levensomstandigheden gedwongen, een weg te moeten volgen, die niet liep naar de Alma Mater, omringd met al het betooverende symbolisme zooals die schittert in de fantasie van collegeknapen - maar meer prozaïsch naar de enge ruimte van een bureel.

Het onthaal in den Boerenbond was nochtans buitengewoon hartelijk geweest, en Kan. Luytgaerens, die zijn vreugde en fierheid niet verduikt wanneer hij over de loopbaan van zijn oud bediende mag vertellen, heeft nog den uitstekenden indruk bewaard, dien de jonge man bij zijn ingangsexamen voor zijn nieuwe betrekking maakte : “Nu had ik toch iemand, die opstellen kon, en die ten minste wist, wat hij schreef !”

Gedurende twee jaar bleef Emiel Van Dievoet aldus bediende in den Boerenbond. Hij deed er envoudig zijn werk en schijnbaar bleek er niets van een heimwee naar de Universiteit. Was dit heimwee nochtans als een stil vuur in het gemoed van den jongen man levendig gebleven en werd het aangewakkerd door het dagelijksche kontakt met het rumoerige leven van de universitaire stad? In elk geval, in 1907 werd de zaak met het bestuur van den Boerenbond, naar het schijnt, vooral op aanbeveling van Prof. Vliebergh, geregeld : Emiel Van Dievoet zou voortaan in den voormiddag de lessen aan de Universiteit volgen en in de namiddaguren zijn gewoon werk op zijn bureel in den Boerenbond vervullen.

* * *

Aldus ging hij in de Rechten studeeren van 1907 tot 1912.

“In den beginne, schrijft mij één zijner medestudenten aan de Universiteit, stond Emiel Van Dievoet wat buiten de studentenbeweging. Men ontmoette hem in een voormiddag in den cours, ‘s namiddags verdween hij op zijn bureel en 's avonds bleef hij op zijn “kot” in de Capucienenvoer. Het was om zoo te zeggen een “peterman” die studeerae.”

Hij stond ook in levensrijpheid boven zijn medestudenten. “Hij kwam naar de studiekringen, vertelt mijn correspondent, voornamelijk naar het Rechtsgenootschap naar den meer-aantrekkeligen socialen studiekring. Hij kwam daar met lezingen, die zeer ver boven het peil van studentenwerk stonden. Geen boekeneruditie, die bij hem reeds lang bezonken lag in persoonlijk in zicht, maar een eigen bewusten voldragen genachtengang. Ook in den apologetischen studiekring zag men den zeer stillen Van Doevoet met zijn bolheid wat op zijn voorhoofd afdalend, zijn schritterende oogen en zijn zeer sceptischen grimlach. Toch stond hij steeds buiten de studentenwereld gedeeltelijk of liever doorboven.

“ Op de avondtochten naar de studiekringen vond Van Dievoet zijn vrienden (o.a. notaris Prosper Thuysbaerl, M. Laurent Deckers) die toch niet beperkt waren tot de Rechtsfaculteit ; er waren daaronder verschillende medici (o.a. Dr Fransen). Op het kot van Emiel werd na den studiekring, te 10 1/2 uur, fel gediskuteerd, soms tot 3-4 uur 's nachts... M. Laurent Deckers, nu lid van de Hollandsche Tweede Kamer, was een zeer trouwe nachtbezoeker, toen zijn “politieke en sociale” voorbereidde.

“Uit die vriendschap ontstond ook de anti-alcoholische studie kring, waarin Van Dievoet weer veel genoegen vond. Zelf bleef hij bepaald buiten de geneelonthouding, verdedigde ze, maar had ook oneindig veel plezier wanneer ze pittig en geestig werd afgetakeld. Dit is een eigen trek van Van Dievoet. Zelf bewust van zijn overtuiging, rust hij op zijn steeds ultra-kalme beredeneering, en zijn overtuiging is sterk, omdat ze in kalmte is geboren. Maar in dien sterken-levensstoel gezelen, voelt hij weinig trek in het gepensionneerd proselytisme. Hij ziet zeer gaarne de ridders die driftig zadelen en bewapenen en met groot gebaar ten strijde trekken ; hij ziet even gaarne de tegenpartij optrekken en, wanneer deze met verstand en sierlijkheid weet te manœvreeren, dan beleeft hij daar evenveel plezier aan. Dit vermindert absoluut zijn overtuiging niet, die hij niet wegmoffelt, maar dit doet hem toch echt deugd. »

En hier de slotindruk : “ Van Dievoet is een beetje amateur, maar een fijne amateur, die tegenover de kultuurwereld staat als tegenover een uitgelezen wijnkelder. Hij proeft gaarne van alle fijne wijnen en weet die uitstekend te kiezen. Zijn geheim is, dat hij de kunstlijn niet vergeet in zijn wetenschap. In den grond is Van Dievoet meer estheet dan wetenschappelijk. De wetenschappelijke lijnen boeien hem niet door hun wetenschappelijkheid. Hij verkiest veruit deze wetenschappelijkheid uiteen te gooien met een gebaar, waar een innerlijke sierlijkheid in zit. Klein, maar fijn ; stil maar geconcentreerd ; altijd goed gehumeurd, een trouwe vriend, nooit lastig. steeds hartelijk” - aldus schetst hem één zijner beste vrienden uit de Universiteitsjaren.

* * *

In 1912 doctoreerde Emiel Van Dievoet in de Rechten en in 1913 werd hij tot Doctor in de sociale en politieke wetenschappen gepromoveerd met een thesis over het pachtkontrakt : “Le bail à ferme en Belgique” le droit écrit et la coutume, le fait économique, les réformes nécessaires. (Louvain 1913, Peeters, met een voorwoord van Prof. Vliebergh. XIII-468 pp.).

Zijn doctoraal proefschrift is de vrucht van een zeer diepgaande studie en van een uitgebreid onderzoek. Het is zonder twijfel een sterk en flink stuk, dat reeds volop den lateren meester aankondigt.

Uiterst vleiend beoordeeld door Prof. Vliebergh. die het prees om zijn groote rechtskundige gaven, zijn gezond oordeel en zijn logischen methodischen gedachtengang, vond het ook in de beroepskundige middens, een buitengewoon-gunstig onthaal. In den « Boerengids » van Holland, 1914, Januar nummer, werd door M. G. Van Den Esen geschreven : « Een jaar tevoren is in Holland over dezelfde stof een boek uitgegeven. Twintig deskundige mannen hebben daaraan hunne krachten beproefd, maar als men dit werk vergelijkt met dat van advocaat Van Dievoet, dan ziet men aanstonds dat het in alle opzichten moet onderdoen », blz. 38.

Met dit proefschrift, waaraan in onze Kamer van Volksvertegenwoordigers nog onlangs hulde is gebracht en dat trouwens op een besliste wijze voortaan den naam van den schrijver met de studie van het pachtkontrakt in alle kringen van ons land zou verbinden, behaalde Emiel Van Dievoet met glans de eerste reisbeurs in den officieelen prijskamp, 1913.

Deze waardeerende bekroning van zijn boek zou aan den jongen advocaat toelaten in het gehoor van beroemde buitenlandsche meesters zijn rechtskundige vorming te volmaken. Hij zou in het meesters zijn rechtskundige vorming te volmaken. Hij zou in het buitenland, vooral Burgerlijk Recht studeeren.

Gedurende den zomersemester 1913 verbleef hij te Heidelberg en studeerde er onder Endemann, Heinsheimer en Schröder. Den winter 1913-1914 was hij te Parijs, waar bij de Iessen volgde van Planiol en Capitant. Eindelijk zou hij te Bern gedurende den zomersemester 1914 het zeldzame voorrecht genieten, onder een meester als Huber, den opsteller van het merkwaardige burgerlijk voor Zwitserland te mogen studeeren.

Aldus uitgerust, kwam hij kart vóór het uitbreken van den oorlog te Leuven terug : hij vestigde zich als advocaat, deed zijn stage bij adv. Veltkamp en hernam, maar ditmaal als rechtskundig adviseur, zijn plaats in den Boerenbond.

* * *

Na den oorlog, waaronder hij zich als advocaat verdienstelijk heeft gemaakt door te Leuven en te Brussel vervolgde landgenooten voor den Duitschen Krijgsraad te verdedigen, werd hij wellicht op aanbeveling van zijn geliefden meester Prof. Vliebergh (over wien hij later die aandoenlijke en uitstekende le

Ondertusschen was hij op de Vlaamschdemocratische lijst te Brussel in November 1919, als volksvertegenwoordiger naar het Parlement gezonden. Deze democratìsche lijst, die voor het eerst vóór het Kiezerskorps optrad, bekwam 25,000 stemmen, hetgeen een sukses boven verwachting beteekende.

Aldus had E. Van Dievoet het dubbele werkveld gevonden, waarop hij voortaan zijn grootste bedrijvigheid zou ontwikkelen : zijn taak aan de Universiteit en zijn mandaat als volksvertegenwoordiger.

Hij bleef natuurlijk gehecht aan den Boerenbond, die hem tot lid van den Hoofdraad benoemde. Hij behield er zijn gastvrij bureel en, uit genomen inlichtingen, blijkt, dat zijn oordeel steeds wordt ingeroepen en op prijs gesteld, wanneer het belangrijke en hoofdzakelijk rechtskundige of parlementaire vragen geldt. Het is ook bekend, dat hij den Boerenbond achter zich heeft, wanneer hij de pachtwet verdedigt in het Parlement.

Hij schreef, vooral ten dienste der leden van den Boerenbond, die uitstekende vulgarisatie: “Wat eigenaar en pachter van ons pachtrecht behooren te weten” Leuven, 1920, 130 blz., waarvan zich voegden in dezelfde richting Fransche vertaling “Le bail à ferme, notions de droit positif à l'usage des propriétaires et Iocataires des biens ruraux”, die twee uitgaven beleefde (eerste uitg. 1918; tweede uitg. 1921) en een studie over de Wet van April 1921 : “Le bail ferme des terres dévastées” (1921, met een voorwoord van Minister Ruzette).

Hij bleef ook kontakt houden met de Leuvensche Balie, die hem sedert October 1925 tot lid van den Tuchtraad aanstelde. “Hij geniet ter Leuvensche Balie, schrift een advocaat te Leuven, ieders sympathie, zoowel van de Franskiljonsche reactionnairs als van de Vlaamsche democraten. Het was hoofdzakelijk aan hem te danken, dat te Leuven, op 19 Maart 1923, de Vlaamsche conferentie werd heropgericht. Ware het niet geweest de oude traditie der van de politieke denkwijze, dan ware reeds voor 1925-1926, onze leverige sekretaris, Mr Van Dievoet, als stokhouder aangesteld geweest. Maar uitgesteld is niet verloren.”

Het is echter vooral als volksvertegenwoordiger en als hoogleeraar, dat hij de aandacht op zich zou roepen.

* * *

In het Parlement, wordt mij door een volksvertegenwoordiger geschreven, is het gezag van M. Van Dievoet wezenlijk zeer groot en algemeen. Als hij spreekt geniet hij steeds de grootste aandacht, een voorrecht dat aan zeer weinigen te beurt valt. Hij spreekt alleen als hij iets te zeggen heeft, maar zegt het dan ook zóó klaar en zóó aantrekkelijk dat alien graag en belangstellend luisteren.

In alle rechtskundige aangelegenheden wordt zijn tusschenkomst verwacht en dankbaar aanvaard niet het minst in landbouwvraagstukken, natuurlijk. Schier onophoudend wordt hij door de afdeelingen tot verslaggever aangesteld. Zoo b. v. voor de pachtwet, voor de wet op de werkrechtersraden, voor de wet op de akademische graden, enz. De parlementaire werkzaamheid van M. Van Dievoet is dan ook zeer druk.

Zijn welsprekendheid is niet professoraal, maar docterend door haar klaarheid en bevattelijkheid. Hoogdravende woorden moet men van hem niet verwachten; “hij zou ze niet kunnen uitspreken zonder lachen.” In de politiek, zoowel als in den persoonlijken omgang, blijft hij immers dwarsdoor alles een onbedwingbare ironist. Hij ziet buitengewoon scherp het gekke, het potsierlijke en het plezante van alles, en geniet ongestoord van dit inzicht. De plooi der nauwgezette plichtsbetrachting op het voorhoofd en de monkel der ironie op de lippen, dit zijn de twee schijnbaar-tegenstrijdige hoofdtrekken van de physionomie van M. Van Dievoet.

Daaraan beantwoorden twee drijfveeren van zijn geest : “overtuiging en liefhebberij.”

Geen spraak van dit laatste bij de verdediging der pachtwet, enz. Maar wie zal uitmaken, welke drijfveer meest in werking was, toen M. Van Drievoet bij de bespreking der parlementaire vergoeding eerst een half uur lang, de social sten deed smakken van voldoening en ze daarna plats bitter ontgoochelde? “Wij mogen volgens de Grondwet de parlementaire vergoeding verhoogen, betoogde hij, indien het indexcijfer gestegen is..., maar... het was niet gestegen !”

En mijn geachte correspondent besluit : “Zijn hoedanigheden, benevens diepe menschenkennis, ervaring, geleerdheid, humor, kunstzin, realisme en zelfs een tikje scepticisme verleenen hem het gehalte van een Staatsman in den echten zin van het woord.”

Het is dan ook niet te verwonderen dat volksvertegenwoordiger Van Dievoet reeds tot tweemaal toe, werd aangesproken, om in den Raad van den Koning, als minister plaats te nemen. Twee maal weigerde hij...

Hij is lid geworden en algemeene sekretaris van den Hoogeren Landbouwraad, lid van de Hoogere Commissie van de gevangenissen, en werd laatst tot voorzitter aangesteld van de Algemeene Katholieke Unie.

* * *

Aan zijn professoraal ambt blijft Hoogleeraar Van Dievoet nochtans den voorrang geven onder zijn veelzijdige bedrijvigheid.

Het geheel zijner geestesgaven maakt hem uitstekend geschikt voor de sokratische majeutiek, die hij meesterlijk beoetent, de sokratische ironie niet uitgesloten. Geen cursusgever, die zijn taak beperkt tot het aflezen van diktaten. Hij kan van zichzelf getuigen, wat hij schreef over Vliebergh : “Hij beschouwt zijn taak niet als afgedaan, wanneer hij de Universiteitshallen heeft verlaten. De studenten mogen rekenen op zijn voortdurende medewerking en op zijn goeden raad.” Hij is met de vorming van zijn studenten bekommerd en al wat hun intellectueel peil kan verhoogen, leidt hij met belangstelling en moedigt hij aan met bescheidenheid. Hij is fier over het werk van zijn studenten, die in de officieele prijskampen worden bekroond. Wie zegt ons, wat aandeel hij zelf daarin heeft genomen.

Zijn didaktische gaven zijn ongewoon : hij heeft naar het oordeel van al zijn oud-studenten, een onvergelijkelijk talent, om kalm, klaar en steeds sierlijk, de moeilijkste begrippen te doen glanzen, als een juweel met facetten. Wie te Leuven, zijn leergang in de burgerrechtelijke proceduur heeft gevolgd, wellicht het meest-saaie en onverduwbare vak der Rechtsfaculteit, weet hoe Prof. Van Dievoet van dit vak heeft weten te maken, zeker geen aantrekkelijk vak, dat is nu eenmaal met mogelijk, maar een echt meesterstuk van methodische duidelijkheid.

Hij is de sekretaris van de “Vlaamsche Leergangen”, de vereeniging die medewerkt aan den grootschen bouw van een Vlaamsche Universiteit te Leuven. Hij is de voorzitter van het bloeiende Rechtsgenootschap, dat hij sedert 1919, als opvolger van Vliebergh, met zooveel toewijding, elken Dinsdagavond leidt. Ieder jaar zorgt hij voor een programma vol actualiteit en afwisseling. Hij is ervan de voortdurende medewerker, die aan de studenten de bibliographie, de documentatie en de dossiers voor de pleidooien bezorgt. Naar zijn oordeel moet het Rechtsgenootschap, de noodzakelijke aanvulling uitmaken van het theoretisch onderricht, waar de student leert persoonlijk te werken : het eenige wellicht dat blijvend-vruchtbaar blijkt.

Om den invloed van het Rechtsgenootschap uit te breiden werd onder zijn initiatief beroep gedaan op de oud-leden ; in 1923 werd het tot “vereeniging zonder winstgevend doel” opgericht en werd er met de oud-leden een plan van samenwerking en mede werking ontworpen.

Telkens ook andere studentenkringen beroep doen op de medewerking van Prof. Van Dievoet, wordt nooit een weigerend antwoord opgeloopen. De sociale studiekring, de Brabantsche gouwgilde, de sociale studiedagen mochten herhaaldelijk zijn naam op hun dagorde brengen. Steeds interessant, nooit saai noch hoogdravend, zijn de toespraken van Hoogleeraar Van Dievoet steeds een echt intellectueel genot van helderheid, humor, methode en onvergelijkelijk-gezond oordeel.

Als mensch, is Prof. Van Dievoet de hartelijkheid in persoon. Alleen afschrikkend voor heetgebakerden geestdrift, die niet aangepast blijkt aan zijn werkelijkheidszin, et die zijn spotlust kittelt.

Wie tot zijn vriendschap wordt toegelaten ondervindt het gouden hart vol toewijding, dat nooit in den steek laat.

Zijn rust is een voortdurende les. Zijn methodische arbeid, zonder de minste haast, maar integendeel steeds met een onverkreukbare kalmte, is een blijvend voorbeeld.

De zeldzame vereeniging van ernst en ironie, diepte en scherts, rust en werkzaamheid, nauwgezetheid en scepticisme, democratische gedachten in een aristocratischen geest maken hem tot een echte persoonlijkheid.

Voorwaar, Prof. Vliebergh heeft te Leuven voor een waardigen opvolger gezorgd.


(Extrait du Pourquoi Pas ?, du 11 mars 1932)

Quel sort cruel est le nôtre ! Une trinité, aussi toute-puissante dans ce journal que l'Autre l'est dans les cieux, nous a commis à la tâche de « faire un Van Dievoet. » L'on nous a dit : « Et faites-nous cela vivant, hein ! Que cela crie, que cela hurle. Vous connaissez le genre de la maison. » Eh oui ! nous le connaissons, le genre de la maison, bons messieurs. Mais le moyen, s'il vous plaît, d'écrire un « papier » bien enlevé à l'intention du Pourquoi Pas ?, quand le sujet conviendrait beaucoup mieux à MM. les poètes qui, gagés par M. Pellerin, d'Epinal, rédigent les textes pour les jolis dessins qui représentent les heureuses circonstances de la vie de Jacques, le bon petit garçon ?

C'est cela : Emile - Emile Van Dievoet - ou le brave petit garçon. Voilà le véritable titre qu'il convient de donner à ce qui va suivre et qui sera un conte moral fort propre à figurer dans la Bibliothèque rose. Emile Van Dievoet ne fut pas un de ces garnements qui « las ! fuyoient escolle comme fait le mauvais enfant » aux dires de François Villon. Il obéit à ses maîtres, apprit ses leçons, fut couronné, aux jours de distribution de prix, et les mamans du canton l’enviaient à ses parents. Il devint avocat, professeur. Il est ministre ei le sera sans doute encore quand ces lignes paraîtront. Il est bon époux, bon père. Il fut même garde civique. C'est tout dire.

Ce n'est pas lui qui aurait déniché les petits oiseaux. Si aucune branche d’arbre ne se rompit sous lui, c'est parce que jamais il ne se permit de grimper sur un prunier. Il ne risqua point de se noyer dans l’étang, puisqu'il en évitait le bord traîtreux, ainsi que le lui avait conseillé son papa. Il ne fut pas fessé injustement, pour expier la faute d'autrui et surtout, dieux cléments, il ne commença pas par le meurtre de ses parents, pour continuer par le vol d'un œuf et finir par ne plus fréquenter la sainte messe, ce qui est le comportement ordinaire des mauvais sujets étudiés par Mark Twain.

A ce propos, en feuilletant l'album dans lequel se trouvent réunies, sous une reliure en peau d’agneau pascal, les pages de la vie exemplaire de notre héros da ce jour, on constate la faillite totale des théories de ce méchant auteur américain - c' est Mark Twain - qui goûta un diabolique plaisir à rire des braves gens. Souvenons-nous : c'est lui qui dit avoir vu le brave petit garçon attraper une bronchite en sauvant un galopin désobéissant qui était en passe de se noyer ; et aussi recevoir une correction des mains du fermier pillé par les maraudeurs à qui, précisément, il faisait la leçon.

Toute la vie harmonieuse de M. Emile Van Dievoet dément ces sophismes dont le but secret est de nier la morale.

Ce ministre de l'Agriculture fournirait mieux un sujet à un fabricant de pendules pour salons bourgeois qu'à un romancier ou à un cinéaste. Tout au plus, ce dernier pourrait-il composer un documentaire : « La vertu est toujours récompensée », avec un sous-titre de ce genre : « ou le Boerenbond tutétaire ».

Emile Van Dievoet est ministre ; il le sera sans doute derechef. Pieux, il le fut et le demeurera. Studieux, il l'a toujours été et rien ne permet de supposer qu'il sera un jour saisi par la débauche. Il continuera le droit chemin qu'il a choisi dès son enfance. ne cessera de vénérer ses maîtres et nous serions fort étonnés d'apprendre, plus tard, qu'il s'est rallié aux doctrines de Moscou pour pratiquer le communisme intégral.

* * *

Et voilà.

* * *

Quoi, s’écriera-t-on, la médiocrité de cet homme est-elle si totale que vous ne trouviez plus rien à nous dire de lui ? D'ordinaire, on nous fait meilleure mesure. Non, ce n'est point tout. Mais l'essentiel a été dit. Il manque à peine quelques détails biographiques, que nous allons transcrire afin de respecter la tradition. Et d'abord, qui a parlé de médiocrité ? Pas nous, à coup sûr. Il ne faut pas taxer de médiocre un homme de qui la vie ne comporte pas d’accidents ni épisodes bons à faire haleter le lecteur.

Si nous faisions profession de nazarder les gens en place, comme font les chansonniers à la mode de Montmartre, nous écririons quelques couplets : « Comment un professeur de droit devint ministre de l'Agriculture. » Nous ne manquerions pas d'observer finement que la robe de l'avocat est un vêtement passe-partout qui sied au cultivateur en chambre aussi bien qu'au cheminot sédentaire. Cette ressource elle-même nous échappe. Cet homme est désarmant, vous dit-on. Car il se fait que cet avocat un spécialiste du droit rural, qu'il connaît les choses de son département et que ce qui pourrait manquer à son savoir, il peut le demander au Boerenbond, qui n'a rien à lui refuser.

Mais procédons par ordre.

Emile Van Dievoet est né à Lombeek-Sainte-Catherine, aux portes de Bruxelles, en 1886. Ses parents sont de petits cultivateurs qui élèvent cinq enfants. L'aîné de ceux-ci s'est établi curé, non par désespoir, comme le proclame une chanson, mais parce que telle est son idée, à ce garçon. Le maître d’école du village tient le jeune Emile sous sa férule jusque l’âge de douze ans, à la suite de quoi notre futur ministre entre au petit Séminaire de Malines, qui n'est pas, ainsi qu'on pourrait le supposer, une couveuse à vicaires. Il y fait ses humanités latines, perdant une année en raison de sa connaissance insuffisante du français.

C'est peu après que ta Providence, qui veille sur les meilleurs de ses enfants - et aussi sur les autres, mais avec moins d'attention - décide de mettre le déjà puissant Boerenbond en présence du petit Van Dievoet. Le Destin se manifeste : durant deux ans, l’enfant de Lombeek-Sainte-Catherine Va travailler à Louvain dans les bureaux du Boerenbond. Il s'y occupe des accidents du travail. Mais il est tenaillé par la fringale d'apprendre et ces basses besognes d’employé le lassent : il veut poursuivre ses études. Papa n'est pas riche, néanmoins Emile, le bon petit garçon, s'inscrira à l’Université. Celle de Louvain, comme bien on pense. Nouvelle rencontre avec le Boerenbond : pour garnir son escarcelle d'étudiant pauvre, Emile Van Dievoet cherche une occupation lucrative à exercer durant les vacances. Il décline les offres d’un notaire et revient chez ses anciens patrons.

C'est ici que l’on découvre l’origine d'une légende dont M. Van Dievoet est, nous assure-t-on, fort mortifié. Cette légende affirme que le Boerenbond paya ses études et qu'en acceptant ces largesses il s'est mis aux ordres absolus de ses bienfaiteurs. Rétablissons donc la vérité, d'abord parce que c'est la vérité, et ensuite parce ces éclaircissements sont désirés, paraît-il, par notre modèle d'aujourd'hui. Van Dievoet, Emile, supporta seul les frais de ses études. Il ne doit rien à personne. Il a occupé ses loisirs au service du Boerenbond comme il eût fait autre chose et ne fut payé - médiocrement - que pour son travail.

Nous ne voulons point prétendre que l'étudiant modeste de naguère n'a point de vives sympathies pour ses anciens patrons ni que sa gestion ministérielle ne leur est pas avantageuse. Mais ceci est une autre histoire.

En 1912, nous le trouvons docteur en droit, mais poursuivant la conquête du diplôme de doctorat en sciences sociales.et politiques, si bien qu'en 1913 il présente sa thèse : « Le Bail à ferme - Le droit écrit et la coutume - Le fait économique - Les réformes nécessaires ». Déjà l'agriculteur perce sous le robin. (Tiens. un alexandrin !)

Et le bon sujet continue à être un bon sujet. Cet ouvrage lui vaut la première place au concours pour l'obtention d'une bourse de voyage : ses concurrents viennent des quatre universités. Emile Van Dievoet s'en va à Heidelberg, à Paris et à Berne étudier le droit civil.

Jusqu'à présent, pas d'accident. Mais en voici un d’importance - qui n'est pas particulier à notre jeune avocat : la guerre. Le moins qu'on puisse dire d'une guerre, c'est que c'est bien embêtant pour ceux qui n'en profitent pas. Emile Van Dievoet se fixe son devoir : il défendra ses compatriotes devant les Conseils de guerre boches. Sa connaissance de la langue allemande lui sera fort profitable. Rôle utile, mais délicat qu'il joue. Ses clients sont presque tous condamnés à l'avance, l' espionnage allemand étant trop bien documenté. Un jour, un accusé devient fou en pleine audience.

Nouvelle conjonction avec le Boerenbond : il en devient l' avocat et s'attache spécialement aux affaires d'accidents du travail et d'assurances.

En décembre 1918, les cours sont repris à Louvain; l'ancien maître du brave petit garçon qu'est demeuré notre Emile Van Dievoet, M. Vliebergh, est malade. Le disciple reprend sa chaire. Il enseigne le droit rural, l'économie non moins rurale. le droit pénal et la procédure idem. Ces deux derniers cours sont donnés en flamand. Attention : c'est un commencement ! Il les abandonne d’ailleurs en faveur du droit civil et, à l'heure qu'il est, le ministre de de l'Agriculture va encore deux fois par semaine à Louvain professer les trésors de sa science.

Que vous disait-on. tout à heure ? Tout est normal ; la fresque unie et monotone se déroule, sans un accroc, sans une tache, toute plate.

Le bon petit garçon est devenu grand en même temps que vice-président de la Chambre, bâtonnier à Louvain, président de la Chambre de Commerce, toujours de Louvain, président de la Commission des Assurances privées. Et peut-être est-il encore devenu autre chose que nous ignorons. Tant de réussites, même méritées, lassent le narrateur, à la longue, et l’on en vient à souhaiter des catastrophes, des rapts, des machinations ou des fausses accusations. Mais rien de tout cela n'arrive. C'est désespérant.

* * *

Car il faut savoir que rentrée de M. Van Dievoet dans l'arène politique se fit sur un char, aux roues bien graissées et roulant sur un sol ferme et uni. Il devient député, comme ça, sans lutte, sans être eng… et sans eng... personne. Vous vous rendez compte ? Une histoire de fées, vraiment.

C’était le moment où vieux et jeunes catholiques luttaient en frères ennemis, dans leurs arrondissements respectifs. Les jeunes exigeaient des places utiles sur les listes de candidats. A certains endroits, les bidons s'arrangèrent ; en autres places, ils ne s’arrangèrent point et l'on fit bande part. Ce dut le cas à Bruxelles. « Patria » ne voulait rien savoir.

Mais qu'on n'aille pas imaginer que notre doux Van Dievoet ait fait la mauvaise tête et fichu des coups de pieds dans les tibias des respectables messieurs de la vieille droite. Ce n'est pas son genre.

C'est le docteur Borginon qui conduit les insurgés et à qui on refuse une place convenable. Quand tout est rompu, les dissidents viennent offrir une candidature à ce petit chançard de Van Dievoet qui se présentera aux suffrages des agriculteurs. M. Vergels sollicitera ceux des ouvriers démocrates-chrétiens, le docteur Borginon s'étant réservé les bourgeois flamands. Les trois compères recueillent 25.000 voix, contre 45,000 à la vieille « Patria ». Et Van Dievoet passe en tête, laissant Borginon sur le carreau ! Il n'y a rien à faire : cet homme est verni ; pour rien au monde nous n'accepterions de jouer au poker contre lui. Il aurait full aux as à chaque coup.

Une fois, tout de même, ses affaires faillirent se gâter.

Jeune député, M. Emile Van Dievoet désira notifier son existence parlementaire et, de complicité avec son ami Sap, il mijota un bon petit discours méchant à l'adresse de feu Joseph Wauters, l'Intègre. Ce fut une lamentable foirade. Wauters foudroya l' imprudent, sous les regards consternés de l’assemblée. Woeste repêcha ce néophyte, mais ferra un peu rudement, au point que M. Van Diecoet faillit demeurer accroché à l' hameçon qui le sauvait de la noyade. Le lendemain, effrayé de sa propre audace, tout suffoquant encore des secousses que lui avait infligées le vieux Woeste, le jeune repêché se présentait devant le président Brunet pour réciter son acte de contrition. Je m’accuse d'avoir été « méchant » hier. Je ne le serai plus. Je vous demande pardon, dit-il.

La leçon ne fut pas perdue. car il est redevenu bien sage depuis. Il est bénin, bénin, bénin.

M. Emile Van Dievoet est donc du groupe démocrate-chrétien qui n'est plus dangereux que pour les socialistes à qui il vole des recrues. Pour la la vieille droite, il n'est plus redoutable. Ce serait bien le fait du diable si, avec derrières elles, l’Eglise et le Boerenbond, « ces deux moitiés de Dieu » comme le Pape et l'Empereur, les deux moitiés du catholicisme belge allaient encore se déchirer entre elles. . Et puis la galerie rigolerait trop violemment.

Démocrate-chrétien, M. Emile Van Dievoet aussi flamingant, mais de l'espèce désormais commune qui n'effraye plus personne aujourd'hui. Ce ministre du roi des Belges n'est pas séparatiste. La plupart de ses élèves sont frontistes ; lui, demeure dans l'orthodoxie flamande. Cet homme n'est excessif en rien, si ce n'est dans sa réussite, ainsi qu’on vient de le constater. C' est un Belge conformiste.

Ayant contemplé le portrait que nous venons de tracer, et sachant que le modèle est aussi celui de toutes les vertus du civisme et de la piété, on pourrait incliner à croire qu'il se présente sous l’aspect d'un ennuyeux personnage. Aux dires de ses amis, semblable opinion serait trompeuse. Ils nous le donnent pour un joyeux compagnon, contant l’anecdote et l'écoutant volontiers. Ce goût pour les histoire gauloises joua même une fois un mauvais tour à ce Flamand, ce qui est au fond assez équitable, dirait le bon docteur Branquart qui estime que les gauloiseries ne sont point créées pour être contées au Flaminds. Récemment, donc, assis seul au banc du gouvernement, le ministre de l' Agriculture était la proie de raseurs nombreux et successifs. Avisant dans l'hémicycle un journaliste flamand de ses amis, qui attendait son tour de poignet à l'analytique, il l'appela d'un geste discret et lui dit :« Mon cher je m’ennuie. N'ayez l'air de rien et contez-moi quelque bonne histoire. Mais ne me faites pas rire. » Notre confrère, avec le sérieux d'un ordonnateur des pompes funèbres, entreprit la narration d'une anecdote dont le sujet pouvait, à la rigueur, se rattachera à l'agriculture en ce sens qu'il traitait de matières utilisées pour l’engrais des terres. Et M. le ministre, non moins sérieux, écoutait tout en feignant de compulser des notes, quand, soudain, il pouffa d'un rire énorme mais intempestif en ces circonstances sévères. L'orateur, ahuri. arrêta net son discours et devint inquiet. tandis que le traître journaliste demeurait imperturbable.

Quand le parfum de l’histoire monta jusqu’à la tribune de la presse, il y eut, là aussi, une « douce rigolade. »

* * *

Voici achevée la belle image d’Epinal. Elle est plus digne des presses du Bulletin diocésain que des nôtres. Et comme nous pouvons supposer que ceux-ci pratiquent peu la lecture des feuilles pieuses imprimées à Malines, il n' est pas mauvais, peut-être, que Pourquoi Pas ? leur fournisse occasion de se retremper l'âme dans un bain de pureté. Si ça ne fait pas de bien. ça ne saurait causer aucun tort. Et même, nous y songeons, la lecture édifiante des non-aventures de M. Emile Van Dievoet serait encore plus profitable aux fils de nos lecteurs qu'à nos lecteurs eux-mêmes. Qu'ils aillent se promener, un livre sous le bras, les yeux modestement baissés, les traits de leur visage empreints de modestie, sur le chemin des manitous du Boerenbond. Qui sait s'ils ne seront pas remarqués... Et ce n'est point faire une révélation que de dire que la main puissante du Boerenbond sait guider dans la vie les élus de la Providence - et des agriculteurs.


Voir aussi : VAN CAMPENHOUT N. – VAN GOETHEM H., Van Dievoet, Emiel, sur le site de la Digitale Encyclopedie van de Vlaamse beweging (consulté le 11 avril 2026)