Van Cauwelaert Frans, Joannes catholique
né en 1880 à Lombeek-Notre-Dame décédé en 1961 à Anvers
Ministre (postes et télégraphes, industrie, classes moyennes, commerce extérieur, agriculture, affaires éonomiques et travaux publics) entre 1934 et 1935 Représentant 1910-1961 , élu par l'arrondissement de Anvers(Extrait du Standaard, du 18 mai 1961)
Minister van State Frans van Cauwelaert is woensdagochtend te half twee in het Sint-Camillus ziekenhuis te Antwerpen overleden.
Frans van werd op 10 januari 1880 te Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek geboren, de bakermat van de familie waar trouwens een van zijn neven thans burgemeester is.
Na de humaniora te hebben gevolgd aan het klein seminarie te Hoogstraten, studeerde hij aan de Leuvense universiteit geneeskunde. Na de titel van kandidaat te hebben behaald, wendde Frans van Cauwelaert zich tot de wijsbegeerte en meer in het biezonder tot de experimentele zielkunde die toen nog in haar kinderschoenen stond. Hij behaalde de graad van doctor en ging zijn studies verder voltooien aan de universiteiten van Leipzig en München.
De universiteit van Freiburg (Zwitserland) bood hem dan de leerstoel aan van buitengewoon hoogleraar in de experimentele psychologie, wat door de jonge Vlaamse geleerde aanvaard werd. Alles wee er toen op dat Frans van Cauwelaert een schitterende en serene akademische loopbaan tegemoet ging.
Inmiddels hadden echter sommige vrienden in Vlaanderen overleg gepleegd met de hoop hem terug naar huis te brengen en hem daar in de Vlaamse strijd in te zetten. Te Hoogstraten en ook te Leuven had Frans van CauweIaert zich immers doen gelden als een briljant studentenleider.
De delegatie die hem te Freiburg kwam opzoeken, slaagde er ten slotte in hem te overhalen. Van Cauwelaert keerde naar Vlaanderen terug en zette zich daar, voor alles, in om het doctoraat in de rechten te behalen. Als jong advokaat vestigde hij zich te Antwerpen, waar hij zich onmiddellijk de Vlaamse politiek ter harte trok. In mei 1910 werd hij dan door het arrondissement Antwerpen naar de Kamer van volksvertegenwoordigers gestuurd, een mandaat dat hij tot aan zijn dood onafgebroken zou blijven vervullen. In de Wetstraat werkte hij zich aanstonds, naast Camille Huysmans en Louis Franck, op tot een van de parlementaire leiders der Vlaamse beweging.
Tijdens de eerste wereldoorlog verbleef Frans van Cauwelaert o.m. in Nederland waar hij zich ten dienste stelde van de Belgische vluchtelingen en een blad uitgaf waarin de politiek van de « aktivisten » afgekeurd werd.
Na 1918 nam van Cauwelaert het vlak voor de oorlog ontstane plan van de oprichting van een invloedrijk Vlaams dagblad weer op en na de moeizame voorbereidingen, die deze start bijbracht, ontstond aldus De Standaard. De jaren na de oorlog waren gekenmerkt door de hettige parlementaire debatten die tot de taalwetten in bestuurszaken, leger en gerecht leidden, alsmede door de aktie voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Steeds hier stond Frans van Cauwelaert hier op de allereerste plaats.
In 1921 brachten de gemeenteraadsverkiezingen te Antwerpen hem aan het bewind van de stad en hem was o.m. de modernizering van de haven in die tijd te danken. Met zijn vriend Huysmars, wiens loopbaan opvallende gelijkenis met de zijne heeft, en de Antwerpse socialisten sloot hij voor het Antwerpse lagere onderwijs een akkoord af dat een voorloper was van het schoolpakt.
Enkele jaren later werd de aflijvige lid van de regering, waar bij hij achtereenvolgens het departement van ekonomische zaken, dat van PTT, dat van landbouw en dat van openbare werken beheerde. In 1931 werd hi minister van Staat en van 1939 tot 1954 was hij voorzitter van de Kamer. Hij fungeerde ook als Belgisch afgevaardigde bij de Volkenbond.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd Frans van Cauwelaert door de regering van Londen belast met opdrachten in Noord- en Zuid-Amerika. In 1950 werd hij Belgisch vertegenwoordiger in de Raad van Europa. Bekend is ook zijn permanente zorg en aktie oor dé haven van Antwerpen, alsook de rol die hij speelde als voorzitter van de Belgisch-Nederlandse kommissie bij de onderhandelingen met Nederland over d tussenwateren.
Hij schreef verscheidene werken over ekonomische vraagstuk ken en internationale politiek, maar verwierf vooral naam als redenaar. Een van zijn hoofdthema's was daarbij het recht van de kleine naties om zich te doen horen, zomede de noodzaak van onderlinge verstandhouding onder hen. Hij vreesde het overwicht van een Frans-Duits verbond in Europa en zag de Europese eenmaking niet zonder deelneming van Engeland. In die geest was hij een van de vurigste voorstanders van de Benelux en een der voorvechters van de NATO in België. Als redenaar kon hij zijn klassieke vorming niet verbergen. Zijn fraai uitgebalanceerde perioden, en de strenge logika van zijn stijl waren tekenend in dat opzicht. Maar hij sleepte vooral zijn toehoorders mee door het muzikale en de verheven dichterlijke voldragenheid van zijn taal, vooral bij openlucht redevoeringen. Hij sprak even vlot Frans als Nederlands en kende uitstekend Engels en Duits. Doctor honoris causa van de Leuvense universiteit en van die te Santiago de Chile, was Frans van Cauwelaert ook erevoorzitter van de Koninklijke Vlaamse Akademie voor wetenschappen, kunsten en letteren en houder van de hoogste Belgische en buitenlandse onderscheidingen. De aflijvige had negen kinderen, waarvan er nog zeven in leven zijn. Een van zijn zoons is bisschop van Inongo.
(Extrait du Soir, du 18 mai 1961)
M. Frans Van Cauwelaert, ministre d'Etat, ancien président de la Chambre, est mort dans la nuit de mardi à mercredi, vers 1 h. 30. à Anvers. Le défunt était âgé de 81 ans. Hospitalisé depuis une quinzaine de jours, M. Van Cauwelaert était entré dans le coma dimanche soir. Trois de ses enfants et son neveu, le père dominicain Bernard, étaient à son chevet.
* * *
Frans Van Cauwelaert était né à Lombeek-Notre-Dame, le 10 janvier 1880. Issu d'une famille paysanne catholique flamande, il devait, tout au long de sa carrière, pédagogique d'abord, politique ensuite, se poser en défenseur irréductible des traditions chrétiennes et des revendications flamandes.
Brillant élève du petit séminaire d'Hoogstraten. Il conquit ses grades de docteur en philosophie thomiste et de docteur en droit à l'Université de Louvain. Après avoir étudié en outre la médecine, il fréquenta les universités de Leipzig et de Munich pour se spécialiser en psychologie expérimentale et en pédagogie. Alors qu'il était professeur extraordinaire à l'Université catholique de Fribourg, en Suisse, la politique qui, depuis longtemps déjà exerçait sur lui une irrésistible attirance le poussa dans les rangs du « Nederduitsche Bond » d Anvers où, en 1910. il prit la succession du leader flamand Edward Coremans en tant que représentant catholique de l'arrondissement d'Anvers.
Avant la Première Guerre mondiale il fut un des fondateurs du journal De Standaard.
Réfugié en Hollande en 1914 il y édita, avec Julius Hoste, l'hebdomadaire « Het Vrije België ».
Conseiller communal en 1921, il devint, la même année, bourgmestre de la métropole, poste qu'il occupa jusqu'en 1932. Avec Camille Huysmans, dont la carrière présente avec la sienne un parallélisme étonnant, il conclut, pour l'enseignement primaire anversois un accord qui préfigurait le pacte scolaire. Son ascension se poursuit : ministre d'Etat en 1931, ministre des Affaires économiques en 1934, il avait été également représentant de la Belgique à la S.D.N., de 1924 à 1927. En 1939, il est élu président de la Chambre des représentants.
Lors de l'invasion allemande de 1940, il se réfugie en Grande-Bretagne avec le gouvernement et, pendant toute la guerre, contribue à la présence belge dans le camp du monde libre. C'est ainsi qu'il crée, en 1942, à New York, l'Office belge pour l'Amérique latine.
Après la libération du territoire national, il reprend sa place à la présidence de la Chambre. Il participe à la fondation du parti social-chrétien, tout en continuant à prôner l’autonomie de la culture flamande, compatible, dans son esprit, avec le maintien de l'unité nationale.
Fervent partisan de l'Union européenne, il représente la Belgique au Conseil, de l'Europe en 1949.
En février 1951, il était créé docteur honoris causa de l'Université de Louvain.
Ses fonctions de président de la Chambre prennent fin en 1954, mais Van Cauwelaert, infatigable, n'en poursuit pas moins ses activités, orientées notamment vers les problèmes portuaires et les voies d'eau. On le voit notamment s'intéresser à la liaison Escaut-Rhin, aux questions relatives au canal Gand-Ternuezen, et à celles du bouchon de Lanaye, comme membre de la commission Van Cauweiaert-Steenberge.
Son action internationale se reflète encore dans sa nomination au poste de président du conseil interparlementaire de Benelux en février 1957.
En mai et juin 1960, la Chambre fête avec éclat ses cinquante ans d'activité parlementaires.
Auteur de plusieurs ouvrages sur les problèmes économiques et la politique internationale, c'est surtout comme orateur dans les différentes assemblées que sa réputation s'est établie. Il soulignait traditionnellement le droit des petites nations à se faire entendre dans le concert des peuples, ainsi que la nécessité pour celles-ci de s’accorder entre elles. Il craignait en Europe la prédominance d'une alliance franco-germanique et ne concevait pas l'unification européenne
. •coneevait - sans participation de l'Angleterre. Comme orateur, il ne pouvait dissimuler sa formation latine et ses périodes bien équilibrées, la rigoureuse logique de son style caractérisaient l'homme. II maniait avec la même aisance le néerlandais et le français, et parlait parfaitement l'anglais et l'allemand.
Le défunt eut neuf enfants, dont sept sont encore en vie. L'un de ses fils est l'évêque d'Inongo.
M. Van Cauwelaert était membre de l'Académie royale de langue et de littérature flamandes, premier président de l'Académie royale flamande des sciences, lettres et beaux-arts, et titulaire de nombreuses distinctions honorifiques belges et étrangères.
(Extrait du Peuple, du 18 mai 1961)
Le ministre d'Etat Frans Van CauweIaert, un des chefs de file du mouvement flamand et un des promoteurs du Benelux, est décédé dans la nuit de mardi à mercredi vers 1 h. 30, à Anvers.
Le professeur
M. Frans Van Cauwelaert naquit le 10 janvier 1880 à Lombeek-Notre-Dame, commune brabançonne qui fut le berceau de sa famille et dont le bourgmestre est aujourd'hui l'un des neveux du disparu.
Après ses humanités au petit séminaire de Hoogstraten, il s'inscrivit à l'Université de Louvain. Après avoir fait la candidature préparatoire à la médecine, il s'orienta vers la philosophie, puis vers la psychologie expérimentale qui en était à ses débuts. II compléta ses études à Leipzig et à Munich et fut, pendant trois ans, professeur extraordinaire de psychologie expérimentale à l'Université de Fribourg en Suisse, avant de revenir en Belgique pour y conquérir un diplôme de plus, celui de docteur en Droit.
Un militant flamand
Mais, entre-temps, Frans Van Cauwelaert s'était lancé dans la politique et était devenu un membre militant des organisations culturelles flamandes. En mai 1910. il succédait comme député d'Anvers à Edward Coremans et devenait un des chefs de file du mouvement flamand, aux côtés de Camille Huysmans et de Louis Franck.
Avant la guerre 1914-1918, il fut un des fondateurs du journal « De Standaard », qu'il relança immédiatement après les hostilités.
Pendant la guerre 1914-1918, réfugié aux Pays-Bas, il rédigea avec René De Clercq, A. De Swarte et Anton Jacob, « De Vlaamse Stem », mais ce groupe se disloqua à la suite de divergences de vues sur la tendance à imprimer au mouvement flamand, Van Cauwelaert combattant vigoureusement l'activisme. Il reprit la lutte flamande dès la libération du territoire, interpellant notamment le gouvernement sur les conditions linguistiques à l'armée.
Bourgmestre d'Anvers
En 1921, les élections communales d'Anvers le portèrent au poste de premier magistrat de la ville et c’est à lui que l'on doit notamment les travaux de modernisation du port qui furent entrepris à l'époque. Avec son ami Camille Huysmans dont la carrière présente avec la sienne un parallélisme étonnant, et les socialistes anversois, il conclut pour l'enseignement primaire anversois un accord qui préfigurait le pacte scolaire.
Plusieurs fois ministre
Quelques années plus tard, le défunt devint membre du gouvernement et détint successivement les portefeuilles des Affaires économiques, des P.T.T., de l'Agriculture et des Travaux publics, ministre d'Etat depuis 1931, il occupa de 1939 à 1954 la présidence de la Chambre des Représentants. Il se vit confier aussi la charge de délégué de la Belgique à la Société des Nations.
Pendant la seconde guerre mondiale, M. Frans van Cauwelaert fut chargé par le gouvernement de Londres de missions dans les deux Amériques. En 1949, il fut désigné comme représentant de la Belgique au Conseil de l’Europe. Enfin, on connaît ses interventions en faveur du port d'Anvers ainsi que le rôle qu'il joua comme président de la commission belgo-néerlandaise dans les négociations avec les Pays-Bas au sujet des eaux intermédiaires.
L'action internationale
Auteur de plusieurs ouvrages sur les problèmes économiques et la politique internationale, c'est surtout comme orateur dans les différentes assemblées que sa réputation s'est établie. Il soulignait traditionnellement le droit des petites nations à se faire entendre dans le concert des peuples, ainsi que la nécessité pour celles-ci de s'accorder entre elles. Il craignait en Europe la prédominance d'une alliance franco-germanique et ne concevait pas l'unification européenne sans participation de l'Angleterre. C'est dans cet esprit qu'il fut l'un des plus chauds partisans du Benelux (Il fut le premier président du Conseil interparlementaires consultatif de Benelux) et l’un des promoteurs en Belgique de l'Alliance Atlantique.
L'orateur
Comme orateur, il ne pouvait dissimuler sa formation latine et ses périodes bien équilibrées, la rigoureuse logique de son style, caractérisaient l'homme. Mais c'est surtout grâce à la musicalité et à l’inspiration poétique de sa langue qu'il parvenait à entraîner ses auditoires particulièrement lors de réunions en plein air. Il maniait avec la même aisance le néerlandais et le français, et parlait parfaitement l'anglais et l'allemand. Docteur honoris causa de l'Université de Louvain et de celle de Santiago du Chili, M. Van Van Cauwelaert était président d'honneur de l'Académie royale flamande des Sciences, des Arts et des Lettres, et titulaire des plus hautes distinctions honorifiques belges et étrangères.
Le défunt eut neuf enfants dont sept sont encore en vie. L'un de ses fils est l'évêque d'Inongo, un autre, prêtre également, est professeur de l'enseignement moyen. Parmi ses autres fils, l'un est commerçant à Dublin, un autre ingénieur à Buenos Aires, un autre encore est officier parachutiste et et fut blessé en 1945. Il était également l’oncle du sénateur Van Cauwelaert, éditorialiste du journal « Het Volk ».
(Extrait des Annales parlementaires de Belgique. Chambre des représentants, séance du mercredi 17 mai 1961)
Eloge funèbre de M. Frans Van Cauwelaert – Rouwhulde van de heer Frans van Cauwelaert
De heer Voorzitter staat op en vóór de rechtgerezen vergadering, spreekt de volgende woorden uit <.i> :
Dames en Heren, het afsterven van de heer Van Cauwelaert, Minister van Staat, oud-Voorzitter van de Kamer, heeft ons allen, zijn collega's, met ontsteltenis geslagen en met diep leedwezen vervuld.
Op welke bank wij ook zitting hebben, politieke vriend of tegenstander, allen voelen wij .zijn heengaan als een zwaar verlies zo voor ieder persoonlijk als voor de parlementaire instelling en voor het land.
Hij was één van degenen met wie wij dit parlement vereenzelvigen. Had hij niet gedurende meer dan vijftig jaar zittig in deze Kamer, waaraan hij met hart en ziel verknocht was en die hij met een ongeëvenaarde waardigheid voorzat en vertegenwoordigde ?
De heer Van Cauwelaert is uit deze Kamer niet weg te denken. Zolang onze parlementaire instellingen bestaan, zal zijn naam er onverbreekbaar mede verbonden blijven.
Het weze mij veroorloofd in dit Paleis der Natie, dat hij als een tempel en als zijn thuis beschouwde, eraan te herinneren dat van alle voorzitters van de Kamer de heer Van Cauwelaert het langst zijn hoge functie heeft uitgeoefend. Hij was aan het steeds vernieuwd vertrouwen, dat zijn collega's hem schonken, uitermate gevoelig.
Tevoren werd hij meermaals geroepen tot het ambt van Minister : hij was achtereenvolgens Minister van Economische Zaken, van Posterijen, Telegraaf en Telefoon, van Landbouw en Middenstand en van Openbare Werken.
Bovendien nam Koning Albert hem in 1931 reeds op in de Kroonraad als Minister van Staat.
Dames en Heren, de voornaamste karaktertrek van de heer Van Cauwelaert was wel zijn zin voor rechtvaardigheid en evenwicht. Hij paarde de koele rede aan het warme hart. Vandaar zijn overtuiging dat het Vlaamse volk, waartoe hij behoorde, zijn rechtmatig aandeel moest krijgen in de Belgische gemeenschap. Maar daarmede ging gepaard een scherp besef van het algemeen belang en de liefde tot het vaderland, waarvan hij de onvolmaaktheden te goed kende om er zich op blind te staren en waarvan hij met des te grondiger inzicht de diepe historische gebondenheid en de nationale en internationale zending doorgrondde. Vandaar ook zijn zorg om de Vlaamse betrachtingen steeds te doen samengaan met de gehechtheid aan de Belgische instellingen, die hij tot een veilige schutse voor zijn volk wilde uitbouwen.
Een eerste mijlpaal in de verwezenlijking van zijn streven was ongetwijfeld de vervlaamsing van de Gentse Universiteit, waarvoor hij samen met de heren Camille Huysmans en Louis Franck, zijn collega's en medekampers in de strijd van de « drie kraaiende hanen », gedurende jaren met geestdrift en overtuiging, zo in als buiten het parlement, ijverde.
Een tweede mijlpaal waren de taalwetten in bestuurs- en onderwijszaken van 1932. Het verslag dat de heer Van Cauwelaert over de eerstbedoelde wet opstelde en zijn talrijke klare en gezagvolle interventies, dwingen nu nog de bewondering af.
Het volstaat de afstand te meten die het Vlaamse rechtsherstel sedert de intrede van de heer Van Cauwelaert in de Kamer heeft afgelegd, om het aandeel dat deze voorman daarin heeft gehad, naar waarde te schatten. Indien zijn werk zoals trouwens elk mensenwerk niet in alles volmaakt is gebleken, zal vriend en tegenstander toch moeten erkennen dat het samen met de ontvoogding van de arbeidersklasse, die ook nog bestendig vorderingen maakt, een monumentale verworvenheid is en een schitterende getuigenis van geesten overtuigingskracht, van weergaloze zin voor het benutten van de mogelijkheden van de parlementaire democratie om, binnen de perken van overleg en goede wil, een standpunt te doen zegevieren.
Aldus sterkt zijn voorbeeld ons geloof in de voortreffelijkheid van de parlementaire instellingen, in de verdraagzaamheid, kortom, in de mens zelf.
Dames en Heren, de politieke horizon van de heer Van Cauwelaert bleef niet beperkt tot het eigen land. Reeds als student en later als professor aan de Universiteit van Freiburg, was hij internationaal gericht en stond hij op voor vele gedachtenstromingen. Hij was van meet af aan, naar het woord van August Vermeylen, de Vlaming die Europeer was geworden.
De eerste wereldoorlog en de taken die hij voor rekening van de Belgische regering tijdens en na de oorlog 1914-1918 vervulde, verscherpen nog dit bewustzijn.
De ervaring, die hij eerst als ingezetene en later als hoogste stadsmagistraat van Antwerpen opdeed, droegen ertoe bij om zijn inzicht in de problemen van de praktische internationale politiek, meer bepaald in Beneluxverband, te rijpen.
Dit alles verklaart de ruime internationale belangstelling, die de heer Van Cauwelaert kenmerkte.
Zijn streven naar de Atlantische en Europese eendracht moet samen worden vernoemd, omdat dit doelwit in zijn geest een onverbreekbare eenheid uitmaakte. De heer Van Cauwelaert was van oordeel dat een eenmaking op Europees vlak te eng was om van wereldbetekenis te zijn en ook, ingevolge de typisch Europese toestanden, te veel gevaren inhield voor de kleine landen. Hij beschouwde dan ook de deelneming van Groot-Brittannië aan het eenwordingsproces en een nauwe associatie van Europa met de Verenigde Staten als een dwingende noodzakelijkheid.
Deze opvattingen inspireerden de activiteit van de heer Van Cauwelaert in het kader van de Conferentie van Parlementsleden uit de N.A.V.O.-landen, waarvan hij een der grondleggers en een van de meest gezaghebbende leden was.
Hij was tevens stichter van de Belgische parlementaire N.A.V.O.-Vereniging.
Hoeft het gezegd dat zijn heengaan in alle N.A.V.O.-landen, aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, met diepe ontroering en spijt vernomen is.
In het kader van de N.A.V.O. zelf ging zijn aandacht vooral naar de problemen in verband met de politieke en economische samenwerking onder de lid-Staten, maar ook de wetenschappelijke en kulturele vraagstukken op dit vlak waren hem een voortdurende zorg.
Bovendien was hij, als voorvechter van de Europese gedachte, van bij de aanvang lid van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa, waarvan hij tijdelijk het voorzitterschap waarnam. Hij was eveneens lid van de vergadering van de Westenropese Unie.
Een ander geestes- en zorgenkind van de heer Van Cauwelaert was Benelux in al zijn aspecten.
Zijn intieme droom van een nauwe politieke eenheid onder de Lage Landen zal hij niet meer beleven en Benelux zal zijn bescheiden maar gestaag ijveren voortaan moeten missen.
De heer Van Cauwelaert was de ontwerper, de bezieler en de eerste voorzitter van de Interparlementaire Beneluxraad.
Eén van de problemen waarvoor hij hoopte dat het parlementair overleg in Benelux-verband de weg naar een oplossing zou effenen en dat hem trouwens, als oud-burgemeester van Antwerpen, zeer nauw aan het hart lag, was de kwestie van de waterwegen. Iedereen van ons herinnert zich nog het indrukwekkend verslag Van Cauwelaert-Steenberghe, waarin, als besluit, een oplossing voor dit netelig probleem werd voorgesteld.
In dit geheel ging de hoofdbekommernis van de heer Van Cauwelaert naar de Schelde-Rijnverbinding en het uitstel van de verwezenlijking ervan beschouwde hij als een veeg teken voor de politiek van goede wil tussen Nederland en België en als uiterst nadelig voor de haven van Antwerpen.
Dit belette hem evenwel niet positief voort te ijveren voor de regeling van dit moeilijk vraagstuk. Overigens was de oud-burgemeester van Antwerpen fier op hetgeen hij voor zijn stad had kunnen doen. Terwijl hij samen met zijn vriend, de heer minister van Staat Camille Huysmans, de bedaring van de gemoederen omtrent het schoolprobleem binnen de stad Antwerpen verwezenlijkte, legde hij de grondslagen voor de industrialisering van de haven. Indien de haven van Antwerpen haar plaats onder de grote Europese havens heeft behouden, heeft zij dit in grote mate aan de vooruitziendheid en de durf van de heer Van Cauwelaert te danken.
Dames en Heren, men zou uren kunnen besteden aan het levensrelaas van onze diepbetreurde oud-voorzitter. Ongemeen veelzijdig waren zijn activiteiten, ongemeen rijk zijn ervaringen en diepgaand zijn invloed op mensen en gebeurtenissen.
De heer Van Cauwelaert was een man van gezag. Hij was ook een man van cultuur, stijl en verfijning. Deze hoedanigheden vindt men terug in zijn rijk redenaarstalent, dat zo het Parlement als de vele vergaderingen, waar hij het woord voerde, kon begeesteren. Deze hoedanigheden vindt men eveneens terug in de vele artikelen die in kranten en tijdschriften van zijn hand verschenen.
Zijn oratorische gaven waren even schitterend in verschillende talen en bij vele gelegenheden verbaasde hij zijn gehoor door het in eigen taal een rede ten beste te geven, waarvan de gedachten-rijkdom en de oratorische zwier door weinigen konden geëvenaard worden.
Onze betreurde oud-voorzitter was ook een verwoed lezer. Geen enkel domein van het geestesleven was hem vreemd. Trouwens was hij niet benevens advocaat, ook doctor in de wijsbegeerte en kandidaat in de geneeskunde ?
Mesdames, Messieurs, un destin inéluctable vient de nous enlever un des meilleurs et des plus grands parmi nous. Le bilan humain de la vie de M. Van Cauwelaert laisse apparaître une part de solitude tant dans la poursuite de ses aspirations internationales que dans la réalisation de celles inspirées par ses convictions flamandes. A cet égard, nombreux sont ceux qui, par ingratitude, ont feint de ne pas comprendre le sens de la lutte qu'il a menée. L'emprise de cette solitude s'est renforcée au fil des années, lorsque, malgré sa persévérance, ses forces défaillantes l'ont amené à réduire petit à petit la cadence de ses activités.
Mais le recul de l'âge lui avait rendu également cette sérénité qui est l'apanage de ceux qui, conscients d'avoir œuvré pour la réalisation de leur idéal, de toutes leurs forces, mais conscients également des limites des possibilités humaines, s'inclinent devant l'imperfection inévitable de tout ce qui se réalise dans ce monde et contemplent celui-ci avec sagesse, avec une certaine amertume, mais surtout avec indulgence.
La perte irréparable que nous venons de subir nous émeut profondément. Mais nous devons à M. Van Cauwelaert de lui réserver dans nos cœurs une part inaltérable de respect, de reconnaissance et d'attachement.
M. Van Cauwelaert fut un grand serviteur de son pays, de son peuple et de son parti. Sa renommée a dépassé nos frontières et il a marqué de sa personnalité tout ce qui a été réalisé dans le cadre du Benelux et de la communauté atlantique. S'il n'a pas eu le bonheur de connaître la réalisation de toutes ses aspirations, il a néanmoins eu la satisfaction d'avoir atteint certains des idéaux pour lesquels il s'était engagé.
Les plus hautes personnalités belges et étrangères lui ont témoigné leur estime et leur amitié. Son souvenir continuera - je n'en doute pas - à bénéficier, sans partage, de nos sentiments d'affection et d'attachement.
Wij dragen die achting, die genegenheid, thans eveneens over op zijn diep beproefde familie, zijn kinderen en kleinkinderen, en bijzonder op zijn dochter, die - na het verlies van zijn echtgenote -voor de heer Van Cauwelaert de steun en de troost geweest is van zijn laatste jaren.
Wij buigen diep voor de nagedachtenis van een grote persoonlijkheid in onze nationale geschiedenis, voor een groot parlementariër.
Het woord is aan de heer Eerste-Minister.
De heer Th. Lefèvre, Eerste-Ministerr, belast met de Economische Coördinatie en met de Coördinatie van het Wetenschapsbeleid :
Mijnheer de Voorzitter, Mevrouwen, Mijne Heren, de regering sluit zich diep ontroerd aan bij de gevoelvolle woorden die de Voorzitter zopas heeft uitgesproken. België verliest inderdaad in Staatsminister Frans Van Cauwelaert één van die zeer zeldzame persoonlijkheden, die hun stempel op de politiek van hun land hebben gedrukt, één van die staatslieden zonder wie de huidige standing van onze bevolking, zowel op economisch en sociaal als op cultureel vlak ondenkbaar zou zijn. Staatsminister Frans Van Cauwelaert is er de grote bewerker van, dat het Vlaamse bevolkingsdeel de plaats heeft kunnen innemen, waarop het recht had en dat onder behoud van onze zo kostbare nationale eenheid, die nochtans tijdens twee wereldoorlogen ernstig bedreigd werd.
De regering wenst in hem vooral de drager te eren van politieke en staatsmanswaarden die voor ons aller activiteit als normen kunnen gelden. Frans Van Cauwelaert was de onvermoeibare strijder, die tegen alle tegenkantingen en vaak unfaire aanvallen in, rotsvast heeft standgehouden, om de verwezenlijking van zijn hoge idealen door te zetten. Van die idealen is hij in zijn lang en vruchtbaar leven nooit afgeweken, wat het ook mocht kosten.
Hij beschikte over een omvattende politieke kijk, die hem toeliet zijn inspanningen tot culturele bewustmaking en geestelijke ontplooiing te koppelen aan die andere, die de sociale vooruitgang en de economische verheffing, die er de voorwaarde van is, tot doel hadden. Merkwaardig was verder zijn staatszin. Ondanks zijn uitgesproken positie als strijdend Vlaming en christen, heeft Frans Van Cauwelaert zich nooit verlaagd tot partijdigheid. Hij heeft integendeel altijd begrepen dat het welzijn van de natie alleen kan worden bereikt door de samenwerking van alle krachten van goede wil ; hij was dan ook, door zijn eerbied voor de overtuiging van andersdenkenden, in staat deze samenwerking te bekomen. Dit verklaart niet alleen zijn uitzonderlijke bevoegdheid als Voorzitter van de Kamer, maar tevens de rol die hij op internationaal vlak vermocht te spelen.
Tenslotte wens ik, als wellicht zijn hoogste en meest voorbeeldige kwaliteit, de zin voor grootheid te onderlijnen die Minister van Staat Van Cauwelaert steeds aan de dag heeft gelegd.
De Vlaamse ontvoogding, de uitbouw van de Antwerpse haven tot een wereldhaven, de Atlantische Gemeenschap, dit alles, - of het nu verwezenlijkt werd, dan of het voorlopig op het stadium van ontwerp is blijven staan, laat die onbetwistbare zin voor grootheid blijken, die de eerste voorwaarde is om iets van werkelijk belang te presteren.
Vóór deze voorbeeldige en grote figuur die Frans Van Cauwelaert in zijn leven was, en na zijn dood, in de herinnering van de natie aan wie hij zulke onschatbare diensten heeft bewezen, zal blijven, buigt de regering zeer diep en eerbiedig. In dezelfde geest betuigt zij haar ontroerende deelneming aan de nabestaanden van de grote overledene, die het onherstelbaar verlies hebben geleden van een vereerde en beminde « pater familias », in de edelste zin van het woord.
M. le Président. - Mesdames et Messieurs, je propose de lever la séance en signe de deuil et de reprendre notre ordre du jour demain jeudi, à 14 heures.
- La séance est levée à 14 h 30 m. De zitting wordt geheven te 14 u 30 m.
(Extrait du Standaard, du 18 mai 1951)
In Memoriam
Aan de vooravond van de verkiezingen nodigde Frans Van Cauwelaert enige vrienden uit in de komende weken met hem naar de aardbeienvelden van het Pajottenland te rijden. En weg was hij, heel en al geestdrift over zijn geboortestreek. De hele glorie van het wonderbare Brabantse landschap vervulde zijn stem en gat kleur en pit aan zijn woord. Zo had hi] in de beste dagen van zijn leven gesproken.
Het was de laatste keer dat ik hem hoorde met die kommerloosheid, met die spontane natuurlijkheid, met die blijheid die hij doorheen de vele wederwaardigheden van een lang openbaar leven had bewaard.
Het Iaatst zag en sprak ik hem op de koude begrafenisdag van Jozef Muls, Fiks en pijlrecht, vele vrienden groetend, trotseerde hij de scherpe noord-oostenwind, de vertrouwde van de Brabantse heuvelen en de opwekkende van de Scheldestad. In vroeger jaren zou hij gezegd hebben met Friedrich Hôlderlin :
Der Nordost wehet,
Der Iiebste unter den Winden
Mir, Weil er feurigen Geist
Und gute Fahrt verheisset den Schiffern.
Deze keer weerstond het door de jaren getekende en in ascese en zorgen getemperde lichaam niet meer. 's Namiddags moest hij rusten. Zijn leven ging uit. De Eeuwigheid triomfeerde. Aldus werd hier bewaarheid wat Novatis zegde :
« Wo gehen wir denn hin ?
« Immer nach Hause. »
Met Frans Van Cauwelaert verdwijnt de laatste pionier van de katolieke Vlaamse studenten beweging, een direkt erfgenaam van Albrecht Rodenbach, een vriend en vereerder van Hugo Verriest, de strijder voor de politieke valorizatie van de Vlaamse beweging, een prins van het sierlijke en uitgebalanceerde woord, een verspreider van de grondgedachten « Rerum Novarum », een entoesiast voorkamper van de geestelijke en intellektuele emancipatie van de katolieken, een leven in dienst van Antwerpen, van zijn Partij, van zijn Volk en zijn Land.
Weinigen in Vlaanderen is het beschoren gewees zó jong als Frans Van Cauwelaert geroepen te worden om hun jeugdidealen niet enkel te konfronteren met de werkelijkheid, doch om ze over te schrijven in verwezenlijkingen, om de gezagvolle leider te zijn van een volksbeweging. Niemand heeft derhalve vroeger dan hij de spanning gekend tussen droom en daad, tussen een explosieve beweging en de afgrendeling door de gevestigde machten, tussen een idealistische conceptie en haar strukturering in een gespleten wereld.
Weinigen ook was het lot beschoren, zoals deze voorman, zó totaal in de strijd te worden geworpen en op zoveel verschillende fronten. Zijn uitzonderlijke kwaliteiten, zijn destijds ongeëvenaarde zeggingsmacht, zijn temperamentrijke vitaliteit, zijn geestelijk niveau, zijn gehechtheid aan het openbare en zijn wil om met zijn opvattingen door te breken riepen hem steeds weer op de voorgrond en op de tribune. Hij was een wekker en verzamelaar. 's Middags op een Vlaamse vergadering, 's avonds in een politieke of sociale studiekring. Vandaag op een Eucharistisch Kongres en morgen in de gemeenteraad of in het parlement.
Frans Van Cauwelaert was gewonnen en geboren in de harde eenvoud van het landelijk leven, hij groeide op onder de heldere hemel van het Leuvense idealisme, hij belandde in een rusteloze en gespleten wereld ten prooi aan felle sociale en politieke twisten en onoverzienbare katastrofen. In die wereld moest hij de macht hanteren en de eer dragen die het deel is van een suksesvol politicus. In die wereld ook moest hij een keuze doen, moest hij standpunten van anderen aanvaarden, moest hij oplossingen voorstaar die redelijk leken voor de ingewijden en voor de buitenstaanders. Hier ook leerde hij de hardheid en hardvochtigheid kennen van de politieke strijd, geraakte hij in het onontwarbaar kluwen dat de menselijke betrekkingen kenmerkt.
Frans Van Cauwelaert kende in zijn politieke opgang naast sukses en roem ook tegenslagen en ontgoochelingen; naast een liefdevolle waardering, verbroken vriendschap, verguizing en vereenzaming. Van het een en het ander heeft hij mij vaak verteld met die levendigheid en die getrouwheid in de herinnering die de geboren verteller eigen is. Ik hoop dat hij van dit alles meer heeft neergeschreven dan ik weet. Hij vertelde nl. veel liever dan hij schreef.
In de politiek had hij gekozen en in die keuze bleef hij trouw met onverzettelijkheid en vasthoudendheid. In kleine kring zegde hij steeds onbewimpeld zijn mening en verdedigde hij met hartstochtelijkheid zijn opvattingen. In het openbaar was hij tuchtvol als niet een en steeds konstruktief. De Partij kon in alle omstandigheden op hem rekenen ; zelfs als bepaalde strekkingen, richtlijnen en metoden hem aanleiding gaven tot grote bezorgdheid. Hij had echter te veel meegemaakt om zich door katastrofenstemmingen te laten meeslepen. Het optimisme en de toekomst hield hij onveranderd voor ogen, samen met het geloof aan de overtuiging en het vertrouwen in de redelijkheid. Zondag jl. drukte hij zijn politiek testament uit in deze woorden : De regeringen gaan ; de partij blijft en moet blijven.
Frans van was een onkreukbaar, een zedelijk hoogstaand en diep religieus man. Hij had het grote voorrecht met vertrouwen te kunnen bidden, zoals zijn vader en moeder het hem hadden voorgedaan, met kerkboek en paternoster. Zijn zoons priesters waren zijn echte kroon. Als geen was hij de vader van zijn familie die trots was op zijn gezin en zijn kleinkinderen. Alle wederwaardigheden van zijn talrijk kroost heeft hij gedragen met een ongeëvenaarde toewijding en met die stille duldzaamheid waartoe alleen een kristelijke edelmoedigheid bekwaam is. Hij was een parochiaal kristen.
Met Frans van verdwijnt een staatsman van groot formaat, een baanbreker en historische figuur van de Vlaamse beweging, een gezaghebbend raadsman en beveiliger van de CVP, een parlementair met een zeldzame ervaring, een kristelijk humanist en een hartstochtelijk belijder van en strijder voor hetgeen hij in geweten kon verantwoorden.
Met dankbaarheid en in gebed scharen we ons rondom zijn rouwende familie.
Victor LEEMANS
(Extrait du Pourquoi Pas ?, du 2 février 1934, pp. 244-246)
Frans VAN CAUWELAERT
Il s’est fait tant d’ennemis que nous avons envie de le défendre.
Il a suffi que ce vieux malin, parfois trop malin, de comte de Broqueville, cédant au chantage flamingant, le prît dans son ministère pour que celui-ci, gravement secoué, fût, une fois de plus, à deux doigts de l’effondrement ; heureusement pour lui qu’on ne voit pas très bien par quoi le remplacer. Voilà le dernier exploit de Van Cauwelaert.
A la Chambre, aussi bien que dans son ancien fief d Anvers, il détient le record de l’antipathie. Les flamingants eux-mêmes n ont plus pour ce chèvre-chouteur qu’une considération mitigée et quelques-uns d’entre eux le trouvent compromettant. En vérité, c’en est trop.
Les avocats soutiennent qu’il n’y a si mauvaise cause qui ne puisse être plaidée et quand, par extraordinaire, le pâle criminel ne trouve pas d’avocat bénévole et justement rétribué, on en désigne un d’office. Nous n’avons été désigné d’office par aucun tribunal, pas même par celui de l’opinion publique, qui attendrait plutôt de nous un acte d’accusation, mais nous n’en plaiderons pas moins pour Fans Van Cauwelaert, accusé d’innombrables méfaits, et nous plaiderons à l’œil, par amour de la justice et aussi par plaisir de mettre un peu de clarté dans le cas curieux de cet apôtre « racial », de cet « idéaliste » qui sait si bien l’heure des trains que, comme disent les Wallons, « il a fini par tomber le … dans le beurre », le beurre financier d’abord, le beurre ministériel ensuite.
* * *
Quoi de plus touchant que son enfance ? Ce grand bourgmestre d’Anvers, comme il se faisait appeler quand il portait l’écharpe que Camille Huysmans lui a chipée, ce « père de tous les Anversois » n’est pas Anversois. Il est né en Brabant, à Lombeek, un des nombreux villages de cette terre bénie que la piété des ancêtres dédia à Notre-Dame.
La famille était nombreuse et besogneuse, mais elle était pieuse et M. le Curé, qui veillait sur elle, s’intéressa tout de suite au gentil « menneke », au petit Frans qu’on lui présenta. Le « menneke » servait la messe en bon enfant de chœur et ne buvait pas le vin des burettes. Aussi, quand vint l’âge d quitter le village, M. le Curé lui procura-t-il les bourses nécessaires, le chauffa, le guida jusqu’à l’Université de Louvain où il fit sa philosophie non sans distinction. Il apparut même un moment comme un des jeunes espoirs du « thomisme » renouvelé pat Monseigneur Mercier, si bien qu’on lui trouva une place de chargé de cours à l’Université Catholique de Fribourg. On y parla même de lui donner la chaire de philosophie. Hélas!... ou heureusement, la divine providence en décida autrement : La Belgique et la thomisme belge furent représentés à l’Université de Fribourg par un éloquent et savant Dominicain, le Père de Munynck, et le jeune Van Cauwelaert se lança dans la politique cléricale et flamingante. L’église lui devait une compensation. Le « Meeting » anversois la lui donna sous la forme de la succession parlementaire de Florimond Heuvelmans, qui passait pour un des farocrates les plus distingués du Parlement de cette époque reculée.
La Chambre ! En ce temps-là, il y avait encore de braves gens pour qui le mandat parlementaire était une sorte de couronnement de carrière ; pour le jeûna Van Cauwelaert, évadé de la philosophie, ce n’était que le pied à l’étrier. Il visait plus haut. Un sûr instinct lui disait que, pour un type dans son genre, le cléricalisme et le flamingantisme conjugués peuvent mener aux plus belles situations.
Le parti flamingant, en ce temps-là, sortait de la période héroïque. Le flamingantisme de cabaret à la manière d’Emmanuel Hiel, de Haring, dit « Boestring », bons diables dont les chapeaux « Rubens », les redingotes luisantes, les barbes hirsutes et les discours romantiques faisaient partie du pittoresque, du folklore belges et fournissaient aux auteurs de revues la matière de couplets inoffensifs, commençait à se démoder. Ces flamingants première manière faisaient place à des flamingants d’une autre génération, beaucoup plus âpres et plus dangereux, docteurs en philologie germanique, armés de tous les textes d’un pangermanisme d’exportation, démagogues fanatiques, particularistes étroits, pour qui déjà la Belgique n’était qu’une patrie légale tandis que la Flandre était la seule patrie véritable, ambitieux aux dents longues,
Il y avait maintenant de ces flamingants dans tous les partis. Tels les trois Suisses de la légende, le socialiste Camille Huysmans, le libéral Louis Franck, à la barbe florie, et notre Van Cauwelaert, avaient-ils juré de donner une Université flamande à la Flandre ? Le philosophe échappé de Fribourg comprit très bien que sa place était dans cette nouvelle équipe, mais il se rendit compte de ce que l’ancienne manière avait de bon. II en garda sinon le débraillé sympathique, du moins l’éloquence romantique et larmoyante, peuplée d’images d’autant plus touchantes pour des auditoires illettrés qu’elles sont plus éculées. Il faut l’entendre encore aujourd’hui parler avec des trémolos dans la voix, des misères de ce pauvre peuple de Flandre gémissant sous le joug des barons fransquillons. Cela date horriblement mais cela prend toujours et « ons Frans » passa pour un grand orateur, du moins en flamand. Personne, alors, ne le prenait pour un homme d’Etat.
Sa conduite pendant la guerre ne fut pas précisément faite pour lui donner cette réputation. Aussitôt après la chute d’Anvers, il avait passé en Hollande pour y faire de la propagande. Un certain nombre de parlementaires belges avaient fait comme lui et tous faisaient aussi de la propagande, mais chacun l’entendait à sa manière. Notre immortel Poullet, qui n’était encore ni vicomte, ni comte, ni triple comte, faisait surtout de la propagande ministérielle ; il représentait Sainte-Adresse. Camille Huysmans y faisait surtout de la propagande socialiste. Il n’y avait que le bon docteur Terwagne qui, oubliant le socialisme, l’anticléricalisme et l’électoralisme, faisait avec naïveté de la propagande belge. Van Cauwelaert, lui, faisait uniquement de la propagande flamingante. On songeait à sauver la civilisation, on songeait à la Belgique, Van Cauwelaert ne songeait même pas à la Flandre mais au flamingantisme et à sa fortune.
Cependant, ce coup de la séparation administrative, le Conseil des Flandres et toute l’intrigue activiste, le mirent dans un embarras épouvantable. Il ne misait tout de même pas sur la victoire allemande. Tout au plus lui arriva-t-il peut-être de se dire qu'en cas de paix blanche, il aurait pu être un utile négociateur en sa qualité, de « Nederduitsch ». Dans tous les cas, il ne pouvait pas approuver les serviteurs du pouvoir occupant, ceux que tout le monde appelait les traîtres et dont on réclamait, pour le jour de la victoire, la fusillade pure et simple. Il ne pouvait pas les approuver, mais pouvait-il les condamner? N’étaient-ils pas plus nombreux qu’on ne le disait officiellement, ces activistes de l’intérieur et du front ? Tout au moins, n était-il pas d’un bon flamingant et d’un habile homme de leur chercher des excuses ? Et la réaction ? Ne fallait-il pas craindre par dessus tout la réaction anti-flamingante?
Cette idée hanta les nuits hollandaises du bon Van Cauwelaert, au point qu’il en perdit la tête, si bien qu’il eut l'idée saugrenue, sinon criminelle, de demander aide et protection pour les pauvres Flamands persécutés (par le bon M. Gérard Cooreman, apparemment) à... l’Angleterre. Parfaitement ! Ce député belge n’hésita pas à faire appel à l’étranger pour le prier d’intervenir dans une question aussi exclusivement belge que la question les langues. C’est le fameux memorandum qui fut envoyé directement au gouvernement anglais sans passer par l’Ambassade de Belgique à Londres et que le Belgisch Dagblad publia « in extenso », en français, dans son numéro du 18-19 juin 1918. On y lisait des phrases comme celle-ci : « Il est de notoriété publique qu’avant la guerre la propagande officielle française a soutenu, en Belgique, financièrement, des organes de presse, des associations et des instituts qui se sont toujours distingués par leur hostilité aux idées flamandes. » « De même que la partis wallonne trouve un appui naturel en France, l’Angleterre, de son côté, doit porter son attention spéciale sur la partie flamande de la Belgique. » Bref, Van Cauwelaert suppliait l’Angleterre de venir au secours des pauvres Flamands persécutés par un gouverne
ment aux ordres de la France! Il y avait là de quoi couler tout autre homme politique que Van Cauwelaert. Mais il sait nager... Cependant, après l’armistice, à la rentrée, il était dans ses petits souliers. Les activistes tremblaient pour leur peau et les flamingants de tout poil n’en menaient pas large. Lophem les sauva les uns et les autres et notre Van Cauwelaert, à peine moins glorieux, à peine plus discret, retrouva son siège à la Chambre. Il ne l’a plus quitté depuis.
Les circonstances paraissaient le desservir. Il lui suffit de plier quelque temps le dos sous l’orage patriotique pour qu’elles le servissent à nouveau. Il commença d’ailleurs par mettre une petite sourdine à son flamingantisme pour mieux tendre l’autre corde de son arc, le cléricalisme.
Au lendemain de la guerre, le parti catholique anversois manquait de chef. Il y avait bien le vieux Ryckmans, fort brave homme, mais qui datait de l’autre siècle. Il y avait aussi le brillant Paul Segers, mais ce grand bourgeois à l’éloquence fleurie n’avait rien de ce qu’il faut pour se servir de la démagogie à la mode ; d’ailleurs, il passait pour « fransquillon ». Grâce à la bonne Mme Belpaire, qui lui servit de marraine et de garante, Franz Van Cauwelaert commença à se lancer dans les milieux catholiques de la métropole qui, jusque là, avaient plus ou moins battu froid â cet homme de peu, à cet étranger. Tout d’abord, comme il avait bousculé sans douceur M. Segers, celui-ci commença par faire cause commune avec le vénérable M. Ryckmans pour barrer la route, à l’arriviste activiste ou semi-activiste. Mais celui-ci sut si bien faire sa chattemitte que le vieux sénateur, à qui d’ailleurs notre homme sut faire entendre qu’il pourrait lui faire perdre son siège sénatorial, finit par lâcher Segers pour se rallier à l’homme nouveau. Dès lors, le parti catholique anversois, réunifié après quelque temps de dissension, n eut plus d autre chef que l’illustre Frans et celui-ci ayant fait tranquillement alliance avec les socialistes - Anvers vaut bien un sourire à Camille Huysmans - devint bourgmestre, aussi naturellement que s il avait reçu l’accolade de Salvius Brabo lui-même.
* * *
Voilà donc l’homme de Lombeek, le petit professeur besogneux devenu bourgmestre d Anvers. C’est quelque chose que d’être bourgmestre d Anvers, grand maître du port et d une Exposition Universelle. Notre Van Cauwelaert mit son glorieux séant dans le fauteuil de Van Ryswyck et, pour remonter plus haut, de Marnix de Sainte-Aldegonde, avec une inénarrable majesté. Et le fait est que tant qu’il garda la précieuse écharpe, il répéta si bien lui-même qu’il était un grand bourgmestre que les Anversois finirent par le croire. Le haut commerce qui, d’abord, l’avait boudé, l’adopta et quelques puissantes sociétés en relations avec la ville s’aperçurent qu’elles avaient absolument besoin des lumières d un philosophe thomiste pour mettre de l’ordre dans leur Conseil d Administration.
Il avait, du reste, mis pas mal d’eau dans son vin flamingant. Il eut même à ce moment une petite crise de francophilie. Parmi toutes les décorations qui, les jours de gala, ornaient son bel uniforme, la cravate de la Légion d’Honneur manquait. Il la fit demander par des « amis ». La République qui, si bonne fille quelle fût, n’avait tout de même pas oublié le mémorandum de 1918, commença par renâcler. Mais on insista tant qu’elle finit tout de même par céder, malgré l’opposition de l’Ambassadeur, qui était alors M. Herbette. Il y eut, un jour, une scène inénarrable. M. Herbette s’était décidé à remettre la fameuse cravate à l’occasion d’une visite du port, mais, à ce moment précis, éclata l’affaire des potasses d’Alsace. M. Van Cauwelaert qui, ce faisant, était d ailleurs dans son rôle, protesta, mais il protesta sans bonne grâce, sans manières, et Herbette en profita pour garder le bijou et le diplôme dans sa poche. Ce ne fut, du reste, qu’une attente de quelques mois. A l’occasion des fêtes de l’Exposition, il fallut bien remettre au bourgmestre la décoration désirée. Il avait applaudi avec un enthousiasme délirant une fantasia de Spahis, allant même, dit-on, jusqu’à chanter la « Marseillaise » avec la foule en délire.
Ce fut le temps de l’apothéose. Hélas! la roche tarpéienne...
C’est ici, d’ailleurs, que nous allons voir le défaut de la cuirasse de ce malin trop malin. Van Cauwelaert, se voyant au pinacle, se mit en tête de régner en dictateur à l’Hôtel de Ville d’Anvers, s’entourant d’échevins d’une nullité absolue, comme le bon M. Lebon et l’excellent M. Junes, inventeur d un certain cortège immobile qui fit se tordre tout Anvers, ou de ce redoutable primaire de Eeckeleers. Au commencement, il y avait bien Camille Huysmans qui, lui, certes, n’est pas une bête et qui, sarcastique et gouailleur, était un témoin fort gênant. Mais Camille Huysmans céda la place pour devenir ministre, et, alors, Van Cauwelaert régna sans partage. Il régna si bien qu’à la fin il avait exaspéré tout le monde. MM. Lebon et Junes eux-mêmes se fatiguèrent d’être traités comme des pantoufles, et il excéda si bien ses alliés socialistes que ceux-ci conclurent avec les libéraux le cartel qui l’envoya promener.
O jour affreux ! O jour sinistre que celui où le blacboulé vit son ex-allié Camile Huysmans dans ce fauteuil de bourgmestre qu’il avait tant aime ! Il n était plus rien : un simple députe. On en avait bien fait un ministre d’Etat, mais qu’est-ce que, ce titre, purement honorifique, pour celui qui a régné en maître sur une grande ville ?
Et, depuis ce moment, notre Van Cauwelaert n’a plus songé qu'à une chose : prendre sa revanche, devenir ministre. C’est pourquoi il est revenu à son flamingantisme originaire. Il faut convenir que ça lui a réussi : il est devenu ministre, grâce au chantage flamingant, à la protection de ces bons activistes que naguère il reniait : « Réintégrez les fonctionnaires félons ou on vous sabotera votre projet militaire! » La réaction du pays a bien failli faire échouer la manœuvre. Seule l’intervention du Roi a sauvé le ministère, mais... M. de Broqueville y a fait entrer M. Vat Cauwelaert. Le tour était joué.
On devine très bien ce que s est dit le vieux routier parlementaire, qui doit n’avoir personnellement qu’une médiocre sympathie pour l’homme de Lombeek : « Ce Van Cauwelaert est un mauvais bougre. Il serait plus dangereux hors du Cabinet que dedans Prenons-le. Donnons-lui un os à ronger ; il se tiendra tranquille. D’ailleurs, un démagogue flamingant qui fait partie de tant de Conseils d’Administration n est plus bien dangereux. On le tient. S’il entrevoyait un jour la possibilité de remplacer à la Banque Nationale son ex-copain Louis Franck, il deviendrait éperdument patriote. On peut toujours faire luire un appât de ce genre à ses yeux émerveillés, ces yeux d’idéaliste germanique ! »
Il y a du vrai dans ce raisonnement. Seulement.. Voilà : un type comme Van Cauwelaert dans un ministère, c est le ver dans le fruit. Il a déjà commencé son travail...
* * *
« - Eh bien! comme plaidoyer, nous dit le lecteur bénévole, c’est un drôle de plaidoyer. Vous plaidez coupable. »
« - Pas le moins du monde. Nous plaidons les circonstances atténuantes. Pour les Wallons, pour nombre de Flamands, bons Flamands mais aussi bon Belges, M. Van Cauwelaert, aujourd’hui ministre du Roi, passe pour le plus dangereux élément de dissociation nationale que contienne notre Parlement désaxé ; en racontant sa vie en historiens relativement objectifs, n’avons-nous pas montré qu’il n’était en somme qu’un politicien comme un autre, un politicien qui, du flamingantisme, du cléricalisme et de la démagogie conjugués a su se faire un magnifique tremplin pour arriver à la haute situation qu’il entrevoyait jadis dans ses rêves de petit professeur besogneux ? Un politicien comme les autres, mais plus malin que beaucoup d’autres, un type complet dans son genre, donc une manière de grand homme.. »
Voir aussi :
1° L. WILS, Van Cauwelaert Frans, sur le site de la Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (consulté le 29 décembre 2025)
2° VAN CAUWELAERT Frans, Gedenkschriften 1895-1918, sur le site de la Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl) (consulté le 29 décembre 2025)