Van Caenegem Jules, Antoine, Corneille catholique
né en 1880 à Semmerzake décédé en 1942 à Bruges
Ministre (travaux publics) entre 1929 et 1932(Extrait du Volk en Staat, du 2 mai 1942)
Oud-minister Van Caenegem overleden
Te Brugge is na een kortstondige ziekte ir. Jules Van Caenegem overleden.
De h. Van Caenegem, die een Oost-Vlaming was van herkomst, - hij werd geboren te Semmerzake, - was tijdens den wereldoorlog mijningenieur te Genk. Na den oorlog interesseerde hij zich aan een onderneming tot valorisatie van gronden uit de Limburgsche Kempen, bouwde een plan tot het graven van een nieuw verbindingskanaal Maas-Schelde, de genesis van het latere Albertkanaal, en wijdde talrijke propagandavoordrachten aan dit koncept.
Het verdwijnen van oud-minister Joris Helleputte had aan Limburg den laatsten markanten staatskatholieken vertegenwoordiger ontnomen. De kandidatuur van den h. Van Caenegem werd als kopman te Hasselt vooropgesteld en den nieuwen staatskatholieken vertegenwoordiger, die aansloot bij de katholieke Vlaamsche kamergroep, werd weldra de portefeuille van Openbare Werken aangeboden. Het is onder zijn ministerschap dat de wegenis van de Vlaamsche mijngouw aanzienlijk verbeterd werd.
Zooals dit in België gebruikelijk was, werd ook den h. Van Caenegem, eenmaal dat hij niet meer tot de regeringsploeg behoorde, een plaats ingeruimd als afgevaardigde-beheerder van een nijverheidsonderneming te Zeebrugge. Bij de volgende wetgevende verkiezingen werd hij door zijn katholieke mandaatgevers voor de keus gesteld tusschen het lidmaatschap van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en het afgevaardigdebeheerderschap, dat zijn aanwezigheid te Brugge noodzaakte. Dit beteekende het einde van de politieke loopbaan van den h. Van Caenegem.
De overleden was ook voorzitter van het Vlaamsch centraal komitee van den Bond der Groote Gezinnen en eere-voorzitter van het Nationaal Verbond der Oorlogsinvaliden, gouw Limburg.
(Extrait de Ons Volk (Ontwaakt), du 10 novembre 1929)
Minister Jules Van Caenegem
In het register van den Burgerlijken Stand der Oost-Vlaamsehe gemeente Semmerzaeke, aan den Scheldestroom, staat eene gebeurtenis opgeteekend, wellicht in dezer wege : “Het jaar O. H. 1880, den 12en Juny is te Semmerzaeke geboren Julius, Antoon Cornelius, wettige zoon van Frederik Van Caenegem en van Sophia Vandendael, zijne echtgenoote.”
Ende Juleke nam toe in jaren en wijsheid... Hij deed zijn lagere studies in de gemeenteschool te Vurste en was er mee klaar in 't jaar 1892, op den reglementairen ouderdom van twaalf jaren. De twee daarop volgende jaren was hij telkens de eerste der klas in het pensionnaat der Broeders Hieronymieten, te St-Niklaas. Hij ging over naar het Klein Seminarie, aldaar, om er de humaniora af te maken en werd daar ook als”primus uitgeroepen”.
In 1900 slaagde Jules het speciaal ingangsexamen der Hoogeschool te Leuven en hij behaalde er in 1905 het diploma van ingenieur van burgerlijke bouwwerken.
“De Ingenieur trad met taaien zin,
“Het werkelijk leven in.”
Hij wordt tijdeliik ingenieur van Bruggen en Wegen, te Antwerpen, in October 1905. Hij werd belast met den dienst der Kempische kanalen. Dat was een eerste “dadelijke gratie” voor ing. Van Caenegem die bij hem de « gesteltenis van geest en hart” verwekte om zich beter vooral te gaan wijden aan de studie van het kanalenvraagstuk.
In September 1907 wordt M. Van Caenegem ingenieur aan de koolmijn André-Dumont en vestigt zich te Asch. Van dien dag af dateert zijne naturalisatie tot Limburger, en het duurde niet lang of hij was in “Ons Limburg” voor goed ingeburgerd.
In 1909 kreeg M. Van Caenegem, vanwege M. Verwilghen, destijds, bestuurder der koolmojn André-Dumont, opdracht zich toe te leggen op de studie : “door een waterweg het kolenvervoer van Limburg naar Antwerpen mogelijk te maken.”
Op 23 Novembcr 1910 had de Limburgsche ambachtschool, te Hasselt. het voorrecht ingenieur Van Caenegem als leeraar-bestuurder te krijgen ; een man, die ontzaglijke diensten aan het vakonderwijs bewees en nog bewijst.
Ingenieur Van Caenegem is ook volksvertegenwoordger geworden. In 1919 werd hij voor 't eerst verkozen als de kandidaat van het Katholiék Vlaamsch Verbond, voor het arrondissement Hasselt-St-Truiden.
In Mijnheer Van Caenegem heeft de ingenieur den volksvertegenwoordiger niet den steek gelaten, en heeft de volksvertegenwoordiger den ingenieur en den Vlaming niet beschaamd...
De vrijwillig verkozen levensregel van den ingenieur en van den volksvertegenwoordiger was deze : “Ik dien !”. Hij was er steeds om bekommerd on welke manier hij zijn mandant vruchtbaar zou kunnen maken voor het Vlaamsche Volk.
In de oneenvolgende politieke gebeurtenissen en wederwaardigheden heeft hij het goede verdedigd en gestemd, en hetgeen uit den booze was voor zijn volk onverbiddelijk bestreden en afgestemd. Hij heeft zijn talenten weten ten dienste te stellen van zijn volk en zijn scheppingskracht heeft nieuwe horizonten geopend. Hij heeft de werkelijke toestanden, die in zijn bereik lagen, aangegrepen, en aan een vraagstuk dat in 't belang van zijn volk van Limburg, eene oplossing vroeg, heeft hij na rustelooze studie en taaien arbeid, eene uitkomst aangeboden die eens de oplossing zal zijn, omdat ze berust op de alzijdige en volledige kennis van al de elementen van het gestelde vraagstuk.
Hoe grootseh die prestatie is, blijkt klaar uit de geschiedenis zijner kanaalstudie, die ook wel haar lijdensweg gekend heeft, wegens miskenning en kleinzielig tegenwerking... In het jaar 1919 vatte ing. Van Caenegem zijn kanaalstudie voor goed aan.
De onmiddellijke aanleiding daartoe was net lezen van het Verdrag van Versailles, dat in art. 361 doelt op het aanleggen van een Kanaal Antwerpen -Rhurort (Rijn). M. Van Canegem maakte een ontwerp klaar en legde het neer op het ministerie van Openbare Werken... daar bleef het m de kartons liggen... Hij zet intusschen zijne studie voort. Hij reist naar Nederland en Duitschland om zijne kennissen aan de werkelijkheid te toetsen en de proefnemingen betreffende de gunstigste scheepvaart, tonnemaat, vaartweerstanden, algemeene onkosten. enz., gade te slaan. In 1922 verschijnt bij Drukker J. te Hasselt. van de hand van ingenieur Van Caenegem, eene uitgebreide studie over “Het Kanalenvraagstuk in Noord-Oost-België”. “Men” blijft onverschillig…
M. Van Caenegem geeft conferenties over zijn ontwerp, te Maestricht, Luik, Antwerpen en in andere middens.
In 1923 begon men, op last van Minister Anseele, een stuk van het “Regeerinsontwerp” te graven in de provincie Limburg, namelijk te Houthaelen. aan de statie. M. Van Caenegem had in 1922 reeds gewezen op de groote, ja, onoverkomelijke moeilijkheden van aardkundigen aard, die men aldaar zou ontmoeten… Einde 1923 moest die werken stop zetten om wille van het drijfzand !
In 2023 werd de Commissie Ruzette in ’t leven geroepen. Ingenieur Van Caenegem werd opzettelijk geweerd uit die Commissie omdat… hij vrank en brij tegen de Nolfhoogeschoolwet has gestemd ! Hij vond geen steun, zelfs niet voldoende in eigen middens. Als “aanmoediging” kreeg hij wen eens te hooren “dat het nog beterkoop was voor den Staat ten eeuwigen dage af te kolen van het Limburgsch mijnveld kosteloos per trein naar Antwerpen te voeren, dan zulke kapitalen in een kanaal te smijten…”
Ing. Van Caenegem was echter niet te ontmoedigen, omdat het als eene openbaring vast in zijn geest geankerd stond, dat zijn ontwerp wetenschappelijk ongezet en onder alle opzichten uitvoerbaar was. De aanhouder wint, en spijts alles beheerscht de geest de wereld. Op 20 November 1923 werd ing. Van Caenegem uitgenoodigd om voor de Commissie Ruzette zijn standpunt, betreffende de kanaalverbinding Antwerpen-Luik uiteen te zetten. Diezelfe Commissie gaf opdracht aan M. Van Caenegem de moeilijkeden te onderzoeken betreffende den aanleg van een kanaal Antwerpen-Luik en eventueel naar den Rijn.
Nu scheen men wel bij den “baas” in kanaalaangelegenheden terecht gekomen. Het eerste regeeringsontwerp werd voor goed opgegeven. Doch zoodende werd er nog altijd geen begin gemaakt met den aanleg van het kanaal.
Ing. Van Caenegem studeerd verder, en weet zijn eigen ontwerp steeds aan te passen en voor alle moeilijkhenden die oprijzen een uitweg te vinden, alzoo : Te Eygenbilsen doen en bevindt er gevaar voor drijfzand. Hij laat 14 boringen doen en bevindt dat de lijnrichting Genck-Mopertingen voordeeliger is. Zijn ontwerp van 1926 volgt dan ook die lijnrichting. In Maart 1927 komen de gemeente Genck en de koolmijnen overeen de kolenstatie te “Langerloo” aan te leggen. M. Van Caenegem past zijn ontwerp daarop aan. Hij denkt niet allen aan de mijnbelangen. Ook de landbouw dient bevoordeligd. De overstroomingen der Demer- en Nethervallei voor goed voorkomen is een weldaad voor den landbouw. De Brabantsche Commissie voor kanalen zocht verbinding met de Limburgsche mijnstreek. Het noeuw ontwerp Van Caenegem biedt de oplossing.
En waar men aan ing. Van Caenegem meent te mogen verwijten dat hij aan zijn zooveelste ontwerp is, laten we hem zelf aan ’t woord:
“Indien ik na het zooveelste nog een ontwerp kan vinden, dat nuttiger, voordeeliger en winstgevender is, dan het voorgaande, dan kom ik ermee voor den dag ! Groote werken moeten de grootst mogelijke voordeelen afwerpen: alleen die beschouwing en niet een misplaatst eigenzinnig en ikzuchtig gevoel moet de bovenhand hebben !”
Ingenieur Van Caenegem hield zich echter niet alleen bezig met den technischen en economischen kant van het kanalenvraagstruk. Ook de finantielle kant kreeg zijn volle aandacht.
Wanner er sprake is van werken van openbaar nut, denkt iedereen dat zulke moeten uitgevoerd en uitgebaat worden ten laste van de schatkist, d.i. van de belastingbetalers. Doch is de afgeloopen jaren bevond zich de Staat in de onmogelijkheid den aanleg van het nieuw kanaal op eigen initiatief en voor eigen rekening aan te pakken. Ingenieur Van Caenegem blijft echter niet werkeloos. Zoodra hij in kennis gesteld werd met de plannen betreffende de hydro-elektriciteit op de Ourthe en de Lioker Maas, zoekt en vindt hij het middel om ook dooe het noieuw kanaal hydro-elektriciteit te vergaren. Hij vindt zijn evenwichtsluis uit, waarmee hij op de internationale Tentoonstelling te Basel de hoogste onderscheiding behaalt. Hij bestudeert de mogelijkheid van den aanleg en de industrieele uitbating door privaat initiatief, daar er twijfel bestond of de Staat wel ooit dat werk zou uitvoeren. Verscheidenen finantieele inrichtingen boden zich aan en weldra kwam een finantieele consortium tot stand, dat op zich nam de noodige fondsen voor het graven en het uitbaten van het kanaal te vergaren. Intusschen scheen de Staat de groote finantieele moeilijkheden weer achter den rug te hebben en hij zou thans de noodige kapitalen vinden, dank zij de annuïteiten van het Dawes’ plan, om zelf het kanaal Antwerpen-Luik aan te leggen. Het “Fonds der Groote Werken” zou die taak op zich nemen. Bij de bespreking van dit “Fonds” in de Kamers, in Maart 1928, gaf ingenieur Van Caenegem te verstaan dat die aanuiteiten van het Dawes-Plan nog zoo zeker niet waren… In 1929 reeds werd dat voorgevoelen bewaarheid, want in plaats van het Dawes-Plan kwam het Young-Plan. Wat er ook van zij, op heden moet de eerste schup voor het te graven kanaal nog gestoken worden.
En nu is ingenieur Van Caenegem zelf tot Minister van Openbare Werken aangesteld! Het “Si populo meo adhuc necessarius, non recuso laborem” was immer ook zijne lijfspreuk, door dagelijksche daden bewaarheid, tot voorbeeld voor degenen die hem aan ’t werk zien. Door zijn talenten en zijn arbeid heeft hij zich onmisbaar gemaakt zelfs voor degenen die hem eens niet erkenden. Zoo is de ingenieur, de volksvertegenwoordiger, de eerste schepen der stad Hasselt. Zoo wordt ook de Minister !
Bewust van zijne verantwoordelijkheid en met het volle besef van de groote verwachtingen die op hem gebouwd worden, heeft hij het ambt van minister aanvaard.
Vele katholieke volksgezinde Vlamingen kunnen moeilijk de vrees onderdrukken dat zijn stoere werkkracht, zijn durvend willen en zijn rijke begaafdheden niet eens tot de volle ontplooiing zullen komen in zulke brooze regeringscombinatie. Doch waarom vreezen als kloeke pioniers de hand aan ’t werk slaan op het terrein dat hun aangeboden wordt ? Wanneer hun arbeid niet gedijt is het ook bewezen dat het terrein zelf onvruchtbaar is en moet ontruimd worden… en de heele ploeg zal noodgedwongen het alaam erbij moeten neerleggen.
Wij huldigen in Minister Van Caenegem, den studieljver en de onvermoeibare werkkracht door hem steeds aan den dag gelegd.
God geve dat wij met hem mogen medeleven de bekroning van zijn pogen ten bate van de economische, de cultureele en de maatschappelijke ontvoogding van ons volk.
Leve Minister Van Caenegem !
(Extrait du Pourquoi Pas ?, du 20 mai 1932)
Honneur aux vaincus ! M. Van Canegem est le vaincu de la crise qui s'est ouverte mardi dernier. Réservons-lui les honneurs du Pourquoi pas ?, comme disent les gens qui nous aiment.
A la vérité, c est peut-être à cette crise qu'il devra une manière d'existence dans notre histoire parlementaire. C'est quelque chose que d'être le bouc émissaire ou l' âne de la fable, « ce pelé, ce galeux d'où venait tout le mal. » Tel sera très probablement M. Van Canegem, ex-ministre des Travaux Publics, dans nos annales.
* * *
Comme on s'empressait autour d'un brave homme de peintre en bâtiments qui venait de choir de son échafaudage, le blessé, considérant la quantité et la qualité des gens compatissants qui l’enveloppaient de leur curiosité apitoyée, eut ce mot épique : « Il leur a fallu que je tombe de très haut pour qu'il' sachent que j’existe. »
M. l'ex-ministre Van Canegem est un type dans le genre de ce « façadeklacher facétieux et malchanceux . »
Il y a, en effet, en Belgique, un nombre invraisemblable de gens qui ont découvert qu'ils n'auraient jamais connu l'existence de ce ministre s'il n'avait été le caillou ou, du moins, l'un des cailloux dont on se servit pour faire culbuter le ministère Renkin.
Van Canegem ? Qu'est-ce que c'est que ça, Van Canegem, se demandait-on jusqu'au jour où on s'aperçut qu'il avait un père encombrant et que sa sottise pourrait jeter bas M. Renkin lui-même. autre Jules, le grand Jules, comme disait feu Patris.
Eh bien ! Van Canegem, c'était tout simplement un de ces ministres interchangeables qui ne vicent qu'à l'ombre d'un Premier plus ou moins mirobolant, que le dit Premier méprise, mais qui se vengent sans le faire exprès, en le jetant par terre.
Ce type parlementaire n'est pas spécifiquement belge, mais la variété belge en est assez curieuse.
* * *
D'où vient cette humilité, cette modestie qui, depuis un certain nombre d'années, met une teinte de grisaille sur les ors trop éclatants de la broderie des uniformes ministériels. Que diable ! être conseiller de la Couronne, diriger en maître omnipotent ou presque une armée de fonctionnaires, décider des choses de l'Etat au titre de représentant du Pouvoir exécutif, tout cela devrait vous donner un galon indélébile, vous conférer un prestige sérénissime.
Il en était ainsi il y a longtemps, bien longtemps, quand les ministres étaient sept et faisaient, autour du souverain, un état-major avantageux, loué, censuré. adulé, critiqué, mais toujours respecté.
La Constitution disait et elle continue à dire que le Roi nomme et choisit ses ministres, comme au surplus il les révoque, mais la fiction constitutionnelle voulait qu'il les choisît dans la majorité parlementaire du moment, sous peine de voir les ministres de son choix, désavoués et renversés en fait par les votes de l’une des deux Chambres législatives.
La démocratisation de notre régime politiqua a changé cela et bien d' autres choses. C'est le Premier Ministre - avant la guerre on disait le Chel du Cabinet - qui forme la liste de l'équipe ministérielle et la soumet à l'agrément royal. Et ce Premier Ministre lui-même n'a plus la liberté de son choix, puisqu'il ne dispose pas d'une majorité homogène et qu'il doit, en premier lieu, tenir compte des groupes politiques qui concourent à assurer la vie d'un gouvernement de coalitions.
D'où la nécessité de toute une série de dosage dans la composition d'une équipe. C'est à cette nécessité que nous avons dû M. Van Canegern et autre Van Ysacker. Il y a d'abord un premier dosage : c est le moins dangereux, car on s'imagine que chacun des partis va se préoccuper d'envoyer au pouvoir ses personnalités les plus remarquables, ou du moins les plus compétentes.
Ce serait vrai si d'autres dosages ne devaient pas entrer en ligne de compte. Chez nous, il y a tout d' abord le dosage linguistique. Il faut faire la part égale, ou du moins proportionnelle, entre les deux parties du pays. Gare surtout si les Bruxellois, plus près du soleil, sont avantagés. Alors la province boude, rouspète, intrigue et cabale. Le premier ministère de l’Union sacrée est tombé bien moins parce qu'on jugeait que la trêve patriotique des partis avait assez duré que parce que Flamands et Wallons étaient excédés de voir réunis autour de la table d'un même gouvernement et M. Delacroix, et M. Jaspar, et M. Vandervelde, et M. Renkin, et M. Destrée, et M. Wauters, ces deux derniers « brusseleers » d' adoption.
Pour peu que l’un des partis ait des cloisons et des sous-cloisons, comme c'est le cas pour la droite catholique, le dosage se complique encore ; on doit, dans la constitution d'un ministère, tenir compte de la fameuse « standorganisatie », c'est-à-dire diviser la part de l’assiette au beurre entre les conservateurs, les ruraux agraires et les travailleurs démo-chrétiens.
Sans compter que le régionalisme aussi intervient. Il faut qu'il y ait des ministres issus de tous les coins du pays.
Est-il étonnant qu'à force de diluer ainsi la puissance ministérielle, les gouvernements de nos jours, quels qu'ils soient, perdant en profondeur ce qu'ils ont gagné en largeur, se trouvent trop souvent privés du concours d'hommes de premier plan et risquent de faire un sort inattendu aux outsiders de la médiocratie ?
* * *
Ce que nous cn disons ne vise pas spécialement M. Van Canegem, mais il faut bien reconnaître que le secret de sa fortune politique réside avant tout dans l'heureux hasard qui a réuni, en sa personne, toutes les qualités qui permettent à une homme politique de faire le bouche-trou et de représenter n'importe quoi.
M. Van Canegem est catholique et flamingant tel qu'on peut l' être dans ce Limbourg dont il est l'élu parlementaire, c'est-à-dire à cent pour cent. Il a les opinions sociales de ses électeurs, c'est-à-dire que dans ce pays qui s'est prodigieusement industrialisée et où l'on ne peut tenir tête à la fatale invasion du socialisme sans pactiser avec lui, il affecte un beau programme démocrate-chrétien.
Son prédécesseur et maître, feu Helleputte, que l’on avait surnommé l'empereur de la Campine, avait, déjà avant la guerre, flairé cette évolution et s'y était adapté.
Il était, lui aussi, venu de Gand, où son talent d'architecte, zélateur fougueux de l'Ecole Saint-Luc, n'aurait certes pas suffi à le tirer du rang, s'il n'avait eu l'inspiration géniale d'aller dans ce paisible Limbourg, assoupi dans sa foi traditionnelle, réveiller et galvaniser les énergies en vue du péril socialiste qu' André Dumont avait involontairement attiré en Campine en y faisant forer les premiers trous de mine. En tout, il ouvrait la voie à son successeur.
M. Van Canegem, Jules, est né à Semmersaeke, un petit patelin de la grande banlieue gantoise. C'est, comme M. Helleputte, un Flandrien immigré au pays campinois. Ce n'est évidemment pas cela qui l'a fait agréer pas ses électeurs, car on se le représente mal s'adressant à eux dans le savoureux rude patois de la cité d'Artevelde, auquel les gens là-bas n'eussent pas compris grand-chose. Mais qu'importe, c'est un intellectuel maniant cette langue artificielle dite « Hoog-Vlaamsch », qui n'a d'ailleurs rien de commun avec le néerlandais et dont se servent les jeunes docteurs en philologie germanique qui escortent M. Van Cauwelaert.
Pourvu de cette investiture, avec celle des autorités diocésaines en surplus, porteur du diplôme d'ingénieur civil, M. Van Canegem, Jules, arriva tout juste à point pour compléter le cadre d'orthodoxie catholique et flamingante qui devait contenir et au besoin comprimer les jeunes couches déjà contaminées par le nationalisme frontiste.
On lui fit tout de suite un sort. Député à Hasselt à l'âge de 39 ans, dès les premières élections au suffrage universel, il fut placé à la tête de la Ligue limbourgeoise des Travailleurs chrétiens. Echevin de Hasselt, président de l'Office de Navigation, cet ingénieur était naturellement porté vers l'étude des voies d'eau, éléments indispensables de l'outillage économique du nouveau bassin industriel campinois.
Il avait trouvé sa voie. Orateur médiocre, politicien de seconde zone, il pouvait prétendre au beau titre de technicien.
* * *
Après avoir publié, en flamand, un ouvrage compact sur la question des canaux, il comprit que pour obtenir du pays entier les sacrifices nécessaires à cette œuvre formidable que constitue le canal Albert, il fallait y intéresser les populations de toutes les régions.
C'est pourquoi le canal de Liége à Anvers devint, si l'on ose dire, son cheval de bataille. Il en parla fréquemment à la Chambre, rédigea des brochures dans les deux langues et vint même à la Bourse de Bruxelles, devant les membres de l'Union Syndicale, exposer en un français hésitant et un peu rocailleux, ses vues, des plus intéressantes du reste, sur la nécessité de ce vaste travail, sur son dispositif technique, sur son meilleur profil, sur ses difficultés d'exécution. Aussi quand, après les élections de 1929, le ministère fut remanié, M. Jaspar qui s' était quelque peu cabré devant l’envahissement de son ministère par les éléments ultra-flamingants. dut s’incliner devant les droits de cette compétence, spécialisée et localisée. N'était-il pas naturel que la nouvelle politique des canaux fût inaugurée par celui qu'un mauvais à-peu-près désignait sous le nom de Van Canalgem ? Et voilà comment M. Van Canegem devint ministre des Travaux Publics.
* * *
Dans un pays qui a d'abondantes ressources budgétaires, le portefeuille des Travaux publics est en or. A part de temps à autre la vive alerte des inondations, les reproches d'incurie et d'imprévoyance auxquels ne peut échapper celui qui vient d'arriver dans la carrière ministérielle, le titulaire de ce portefeuille vit une existence paisible et tranquille.
La technicité même de ses attributions le soustrait aux bagarres politiques. Une fois par an, quand on discute les budgets accouplés des dépenses extraordinaires ei des travaux publics, le ministre est de corvée, du matin au soir, dans ces interminables séances où l'esprit arrondissementier des élus de tous les partis et de toutes les régions s'en donne à cœur joie.
M. Van Canegem tout de suite acquis la manière. Il sait comment on contente les petits amis que l'on inonde de satisfactions en leur annonçant des faveurs déjà accordées mais qui, claironnées par la publicité parlementaire, vous ont, tout de suite, pour l'interpellateur, la valeur d'une victoire, d'un butin courageusement conquis. Il y a aussi la distribution de l'eau bénite de cour à ceux qui, pour le moment, n'obtiennent rien du tout, sinon la consolation d'une belle promesse. Il y a enfin les oublis, les silences qui ne mécontentent personne parce que généralement, à la fin de la discussion, quand le ministre achève son chapelet de réponses, il n'y a plus un chat dans l'hémicycle.
M. Van Canegem s’en tirait donc sans grande peine, gardant sur son visage humble, modeste, timide, heureux dans son demi-incognito, un sourire de perpétuelle satisfaction de lui-même et des autres.
Pourquoi faut-il qu'un coup de théâtre, ou plutôt un coup de tonnerre ait troublé cette molle quiétude et cette douce sérénité ?
* * *
Son crime, on le connaît. Mais connaîtra-t-on jamais tous les détails de cette obscure affaire de la tranchée d'Eygenbilsen où M. Devèze lui-même a tant de mal à voir clair ?
Il est évidemment assez insolite que le gouvernement fasse exécuter pour une cinquantaine de millions de travaux par une firme dont le ministre responsable et compétent ainsi que ses ingénieurs ne voulaient à aucun prix.
Mais il est plus extraordinaire encore que le ministre désavoué et berné se soit laissé faire et n'ait trouvé, rompant avec toutes les traditions et toutes les obligations élémentaires de la solidarité ministérielle, que cette excuse ; « Ce n'est pas moi, ce sont les autres qui l'ont voulu ef m'ont imposé une solution qui ne m'inspirait pas confiance. »
Dans les deux cas, ce pauvre M. Van Canegem, comme l'agneau de la fable, se voyait accablé de toutes les fautes. Ou bien il avait raison et alors pourquoi était-il resté ? Nouille et niquedouille disaient ceux qui incriminaient son absence de cran et de courages.
Ou bien il avait tort, et alors il avait gravement manqué aux devoirs de solidarité d'un membre du gouvernement, Le pauvre Van Canegem s'est trouvé enfermé dans ce dilemme. On s'est évertué à l'en sortir, mais ce n'était pas commode, d'autant plus qu'il y a des gens qui étaient heureux de le voir patauger ; ce n'est pas le pur effet du hasard qui a voulu - un malheur ne vient jamais seul - qu'on ait révélé que le père de cet étrange ministre émargeait au budget au titre de bénéficiaire de la pension de retraite accordée aux vieillards nécessiteux.
Les amis de M. Van Canegem, car il lui en reste encore, plaident éperdument sa bonne foi, son ignorance de cette histoire véritablement inouïe.
« On n'est pas, disent-ils, responsable des fautes et faiblesses des siens. M. Van Canegem pouvait ignorer la chose ou l'admettre comme une pratique normale puisque, disent-ils, dans les campagnes, cette pension est jetée à la tête de tout le monde, sans que personne ne s'émeuve de cette gabegie. »
Possible, mais cette révélation c'est lotit de même la tuile, la grosse tuile tombée à propos sur la tête de celui que l'on voulait déjà assommer. Il en était encore tout étourdi quand sa pauvre aventure disparut dans une plus grande aventure. M. Van Canegem, en somme, a de la chance. Il aurait dû tomber tout seul, il tombe non seulement avec tous les Van Canegem du ministère, mais aussi avec le Premier Ministre, Seulement, ce dernier n'est tombé que pour se relever tout de suite, tandis que. les Van Canegem…
Voir aussi DE MAEYER J. - VANDEWEYER L., Van Caenegem, Jules sur le site de la Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (consulté le 6 avril 2026)