Accueil Séances Plénières Tables des matières Législation Biographies Documentation Note d’intention

Pholien Joseph (1888-1968)

Portrait de Pholien Joseph

Pholien Joseph, Clovis catholique

né en 1888 à Liège décédé en 1968 à Bruxelles

Ministre (justice et premier ministre) entre 1938 et 1952

Biographie

(Extrait du Soir, du 5 janvier 1968)

Mort de M. Joseph Pholien ancien Premier ministre.

Le défunt présidait le gouvernement qui assista à la prestation de serment comme Prince royal de Baudouin Ier.

Le ministre d'Etat Joseph Pholien, ancien Premier ministre et président de l'Institut européen de cancérologie, est décédé jeudi, à Bruxelles, à l'âge de 83 ans.

M. Joseph était né â Liège, le 28 décembre 1884. Son ascendance paternelle et maternelle était liégeoise. Son père étant avocat général à la Cour de Cassation, ce fut à Bruxelles. à l’Institut Saint-Louis, que M. Joseph Pholien fit ses humanités et sa philosophie. Docteur en droit de l'Université de Bruxelles, il fut reçu au barreau le 28 août 1906. Il entra en stage chez Léon Delacroix qui devait devenir Premier ministre plus tard.

M. Joseph Pholien s’engagea comme volontaire de guerre le 4 août 1914. Il termina la guerre avec le grade de lieutenant. Après l'armistice, il reprit sa place au barreau et ce fut lui qui prononça le discours de rentrée, le premier, de la Conférence du jeune barreau, après la guerre.

En 1936, il devint sénateur coopté et vit son mandat régulièrement renouvelé.

Ministre de la Justice dans le gouvernement Spaak (1938-1939) M. Pholien rejoignit, en qualité de lieutenant de réserve, le 10 mai 1940, la 18ème division d'infanterie avec laquelle il participa aux combats de Mont-Saint-Amand, de Tronchiennes. de Maldeghem. La croix de guerre lui fut décernée. Le 28 mai, le Roi le fit appeler en même temps que MM. Devèze et Hayoit de Termicourt. Avec eux. M. Pholien collabora à la rédaction d'une consultation sur la position du Roi, consultation que le Roi fit sienne et qui fut envoyée avec d'autres documents à Poitiers, permettant au gouvernement Pierlot d’avoir une base solide.

Au début de la guerre. M. Pholien partit, avec des moyens de fortune, en zone française libre, pour demander aux membres du gouvernement belge de partir vers l’Angleterre et de continuer la lutte.

Dès le 6 juin 1940, il avait, à la demande des secrétaires généraux, libellé, avec M. Tschoffen, une consultation sur la position juridique des secrétaires généraux vis-à-vis des Allemands. Le 7 avril 1941, il rédigea une lettre publique pour réagir contre la déviation de l'administration.

Les journaux de l'époque. à la dévotion de l'ennemi, l'attaquèrent violemment. Peu de temps après, M. Pholien, ainsi que onze autres notables, étaient arrêtés et emprisonnés pour un temps à la citadelle de Huy. Il fut arrêté de nouveau en 1942, à l'occasion de la grève de la magistrature consécutive à l’arrêt annulant le Grand Anvers, et fit de nouveau un séjour à Saint-Gilles et à la citadelle de Huy. II fut arrêté une troisième fois quelques jours après.

Ces divers séjours en prison lui avaient permis d'établir un réseau de communications clandestines. Menacé d'assassinat vers la fin de la guerre, il dut prendre le maquis.

Le roi Léopold le fit venir à Saint-Wolfgang, lors de sa libération, en même temps que MM. Devèze et Van Zeeland.

Après la libération, M. Pholien avait repris sa place au Sénat. II y fit partie des commissions de la Justice, des Travaux publics, des Colonies, des Affaires étrangères, et de la Santé publique. II fut le rapporteur de la loi sur l’ordre des médecins. En 1946, il fut élu vice-président puis premier vice-président du Sénat. II avait également, en 1945, été élu dans le premier comité national du nouveau P.S.C.

Le 16 août 1950, quelques jours après la prestation de serment du prince royal, qui avait entraîné la démission du cabinet Duvieusart, M. Pholien constituait le nouveau gouvernement. Celui-ci devait être remplacé, en 1952, par le cabinet Van Houtte auquel M. Pholien collabora, de janvier à août 1952, comme ministre de la Justice. II avait repris ensuite ses activités d'avocat.

Sénateur coopté jusqu’au 21 janvier 1961, M. Pholien s'était alors retiré de la vie poIitique. II fut nommé ministre d'Etat en juillet 1966.


(Extrait du Standaard, du 5 janvier 1968)

Oud-premier Pholien overleden

Joseph Pholien, minister van state en gewezen eerste-minister, is gisteren te Brussel overleden.

Hij werd geboren op 28 december 1884 te Luik, waar zijn vader advokaat-generaal was bij het Hof van Kassatie, maar volgde middelbaar onderwijs te Brussel, waar hij aan de universiteit promoveerde tot doctor in de rechten. In 1906 werd hij lid van de balie en stagiair bij Mr. Leon Delacroix, die later eerste-minister zou worden.

In 1914 kwam hij als oorlogsvrijwilliger bij het leger. In 1918 was hij luitenant. Na de wapenstilstand werd hij opnieuw advokaat verwierf vrij spoedig een soliede reputatie van pleiter en jurist.

In 1936 werd hij gekoöpteerd senator van de katolieke partij, een mandaat dat hij een kwarteeuw lang zou bekleden.

Van 15 mei 1938 tot 21 januari 1939 was hij minister van justitie in het kabinet-Spaak. Toen de tweede wereldoorlog uitbrak, nam de 56-iarige opnieuw dienst. als reserve-luitenant : met de 18de infanterie-divisie vocht hij te Sint-Amandsberg, Drongen en Maldegem, en verwierf hiervoor het oorlogskruis.

In de periode van de kapitulatie speelde hij een belangrijke politieke rol. Te zamen met oud-minister Devèze en de vooraanstaande magistraat Hayoit de Termicourt werkte hij, op verzoek van Leopold III, een memorandum uit betreffende staatsrechtelijke positie van het gevangen staatshoofd. Dit memorandum stuurde de koning naar de Belgische eerste-minister Pierlot die op dat ogenblik met de regering in Poitiers verbleef. Pholien zelf ging op 31 juli naar de onbezette zone in Frankrijk om er de Belgische ministers aan te sporen naar Londen uit te wijken en daar de strijd voort te zetten.

Op 6 juni reeds had hij, op verzoek van de sekretarissen-generaal, met oud-minister Tschoffen een advies opgesteld betreffende rechtspositie van deze ambtenarengeneraal t.a.v. de Duitse bezetter. Dit advies zou later door het sekretanaat van Leopold III in de omvangrijke verzameling « Dokumenten » worden opgenomen.

Toen in april 1941 de sekretaris-generaal een houding aannamen die volgens hem afweek van de te volgen gedragslijn, protesteerde hij in een open brief, die mede-ondertekend was door Romain Moyersoen, oud-voorpitter van de senaat, de liberale oud-minister Dierckx en de socialistische senator Rolin.

Gevangen

In de kranten die onder Duitse kontrole verschenen, werd heftige kritiek geoefend op die brief en kort daarop werd Pholien aangehouden en opgesloten in de citadel te Hoei. Na zijn vrijlating kwam hij in 1942 opnieuw in botsing met de bezetter toen de magistratuur in staking ging n.a.v. het geschil rondom de oprichting van groot-Antwerpen. Hij zou opnieuw vrijkomen en een derde maal worden aangehouden.

In de cel organizeerde hij een klandestien verbindingsnet met politieke gevangenen. Op het einde van de oorlog onderhield hij ook nauw kontakt met politici van de andere partijen, o.m. met Achille van Acker en de liberale leider Van Glanbeke. i.v.m. de heropbouw van het politieke leven. In 1945 maakte hij deel uit van het nationaal komitee van de nieuwe CVP

Regering

Hij leefde van dichtbij de koningskwestie mee. Te Sankt-Wolfgang was hij een van de eersten om, na diens bevrijding door de Amerikanen, met Leopold III te spreken.

In de senaat behoorde hij tot de overtuigde voorstanders van de koninklijke terugkeer. Toen in augustus 1950, na de troonsafstand, het homogene CVP-kabinet van Jean Duvieusart ontslag had genomen, vormde Pholien een tweede homogene regering die het volhield tot 15 januari 1952. Hij ruilde dan met. Prof. Van Houtte het premierschap en bleef in de nieuwe regering de portefeuille van justitie behouden tot 3 september 1952.

Gekoöpteerd senator tot 20 ianuari 1961, trok hij zich dan terug uit het politieke leven. In juli 1966 werd hij benoemd tot minister van state.

Moeilijk

Pholien was een minzaam man, die naarmate de jaren vorderden blijk gaf van een groeiend en koppig konservatisme. Hij stond bekend voor zijn juridische degelijkheid on zijn onbaatzuchtigheid.

Tegen de uitdagingen van de nieuwe industriële ontwikkeling en de internationale spanningen bleek hij echter niet opgewassen. Het kostte de CVP-leiding, en inzonderheid partijvoorzitter Theo Lefèvre. enige moeite om hem van het premierschap, dat hem boven het hoofd was gegroeid, te doen afzien.

Aanleiding tot het ontslag was de beruchte zaak-De Bodt : de begenadiging van een terdoodveroordeelde Breendonk-beul die het scherpe protest uitlokte, zowel van de “patriottische” verenigingen als van de oppositie en van heelwat leden van de regeringsmeerderheid.

De ware reden van het heengaan van Pholien was echter de weigering van de kristen-demokratische vleugel van de CVP om de eerste-minister nog langer vertrouwen te schenken.


Voir aussi : JANSSENS G., Pholien, Joseph, dans la Nouvelle biographie nationale de Belgique, Bruxelles, Académie royale de Belgique, 2016, t. 13, pp. 270-274