Baels Henri, Louis catholique
né en 1878 à Ostende décédé en 1951 à Knokke-le-Zoude
Ministre (travaux publics, agriculture, intérieur et santé publique-hygiène) entre 1926 et 1931(Extrait de Ons Volk (Ontwaakt), du 6 juin 1926)
Hendrik BAELS, minister
Toen Emiel Vliebergh. zaliger gedachtenis, hoogleeraar te Leuven benoemd werd, kwamen zijn West-Vlaamsche intieme vrienden van uit den Hoogeschooltijd met hem rond den disch van « Den Gulden Hoorn » , te Brugge, bijeen, om hem te vieren en te huldigen. Daar zaten over tafel, o. m. advokaat P. Priem, Dr H. Allaeys, ingenieur F. Maertens, ingenieur L. Perquy, Dr L. Leuridan, Dr Jooris Delaey, Dr H. Cools, Rechter J. V Viaene – “notre vieil ami : Vianne : le bon juge de Loochristy” - advokaat H. Baels en de eilaas te vroeg ontslapen en nog betreurde dichter Omer Karel Delaey. Ze waren daar zoowel en zoo genoeglijk ondereen ; daar werd het Oude leven weer bovengehaald en voor enkele uren gedroomd - is het schoonste in het leven steeds geen bewuste begoocheling ? - dat ze weer te Leuven zaten bijeen te plagen, te sermoenen, te dichten en te doen zoo, dat er besloten werd ten slotte dit vriendenmaal te hernieuwen telken jare, doch ten huize voortaan van een der vrienden zelf, elk om de beurt. Enkele jaren later - het zal nu een vljitiental jazen gaan zijn - zaten ze, dat jaar, te gast bij advokaat Baels te Oostende, met Vliebergh, als naar gewoonte telken male, zoolang de onverbiddelijke kwaal het hem toegelaten heeft, “in the chair ! » Dit schonk hem ook telkens het voorrecht de officieele tafelrede uit te spreken, waarin elk een der genoodigden, op zijn studentisch-sappig en leuk, ten voeten uit geschilderd werd, met veel in schijn ernstige geestelijke vermaningen, die de meest uitgelaten vroolijkheid over den disch los lieten. De gastheer - dit was de wiJze waarop hem dankgezegd werd om zijn onthaal - vooral kreeg zijn mild gemeten deel ! En, Vliebergh die dat jaar bijzonder in zijn schik was, ging er maar dapper op los om links en rechts de les te spellen aan « Harry, de wispelturige ! » Dat was het z. g. officieel gedoe ; doch daarop volgde weldra het niet-officieele en bijlange niet het minst rake. En wij hooren nog, net of gebeurde het pas gisteren, iemand - Dr Allaeys meen ik - drinken op de gezondheid van de … toekomstigen Katholieken Vmaamschen burgemeester van Oostende, HendriK Baels ! Vriendschap, ziet ge, mitsgaders een paar glazen bruischaart, deinst niet achteruit, zelfs voor de stoutste droomen niet. Merk wel dat, toen ter tijde, als die voorzegging daar over tafel viel, Baels, ais piepjong advokaatje pas als simpel lid in den gemeenteraad zijner geboortestad getreden was. Nu is hij reeds, sinds jaren, de meest gevierde schepen er van, t. w. de schepen van de haven en tevens van den burgerstand. En dit mogen we gerust hier vermonden, hing het slechts van het volk al, het echte Vlaamsche Oostendsche volk, wel te verstaan, reeds lang zou Hendrik Baels, de meest volksbeminde uit den raad, nu zitten in den burgemeesterszetel.
Doch, dat komt, zou Stiere Maleize zeggen !
Echter, politieke wisselvahigheden - die wij simpelijk bestatigen doch niet beoordeelen mogen noch kunnen hier, daar « Ons Volk » het weekblad zijnde aller Viamingen, buiten en boven de politiek staat, - brachten hem in eenen ministerieelen zetel, als het hoofd van niet min dan drie ministeriën in eens, t. w. van Landbouw, van Openbare Werken en van Economische Zaken !
Hendrik Baels is waarlijk en werkelijk een kind van de zee, en meer bepaald van de Vlaamsche zee, daar hij te Oostende geboren is, zoon is tevens van een der meest aanzienlijkste reeders van Vlaanderen, en vennoot zelf, nog heden ten dage, in de ouderlijke firma van de Reedezij Baels en de Yslandsche Visscherij. Hij werd advokaat eerst en meest om zijn volk, en eerst en meest om zijn Vlaamsche visschersvolk ten dienste te zijn, zoo weinigen het ooit waren met het woord en met de daad van elken dag, jaren en immer jaren achtereen. Geen wonder of hij is het lievelingskind aan de kust ! Geen Vlaamsche visscher van Knocke tot de Panne of hij kent “Mijnheer Harry.” En merk wel : dat is zoo, en was zoo, schier van kindsgebeente af. En probeer het maar niet, tusschen de Vlaamsche visschers van Oostende, kwaad te zeggen van “Mijnheer Harry.” Met de openhartige vrijmondigheid en de gemeende rechtzinnigheid den Vlaamschen volksmensch eigen, die de smaad of het onrecht aan een vriend aangedaan of aan een weldoener, tien maal meet gevoelt of trof het hem zelf, zouden ze dra uw kop vol schelden. En ge doet maar best dan uit het bereik hunner vuisten te blijven, drie nijpen geliik vijlstaken, als ge niet wilt dat ze in uw haar zitten en u met klieken en klakken “over boord gooien », zoodat ge “in 't zeiltje » te recht komt of « in den bassing ! » Recht voor de vuist, ziet ge, zijn ze, omdat ze recht door zee gewoon zijn te varen !
Het is omdat Hendrik Baels de kunst kende, van den huize uit, een aristocraat te zijn, ongedwongen en ongemaakt, in verfijndheid en beschaving, en tevens een democraat en een flamingant uit drang en overtuiging.
Ei mij, was me dat een ontroering, en voor velen een verslagenheid, toen, in 1910, dat piepjong advokaatje voor de eerste maal verscheen in den gemeenteraad van Oostende en daar van den eersten dag af, - 't en was nog nooit gebeurd tot dan in den Oostendschen gemeenteraad, waar de hooge oomes steeds Fransch, natuurlijk, met garnaalpooten - een Vlaamsche redevoering afstak en het Vlaamsch niet alleen burgerrecht, maar den eerezetel verwierf.
Want dat is wel een kenmerk van Hendrik Baels, dat tot zijn meest verwoede tegenstrevers, tusschen de franskiljons en de liberalen, hem hoogschatten om zijn gegronde kennis van zaken, om zijn begaafde taalvaardigheid.
Zoodat al die snullen van verwaandheden, die met hun gazettefransch en hun misprijzen voor de taal van hun bloedeigene Vlaamsche moeder, waarin ze te nauwernood stotteren kunnen, als er vreemde gasten, uit Engeland of elders, ontvangen moeten worden op het stadhuis van Oostende, Baels ter hulp moeten roepen om deftig en eerlijk uit den slag te worden geholpen !
Die spraakvaardigheid, niet min dan de eerlijke oprechtheid van zijn volksgezindheid is het, die hem te Oostende, onder het volk, een populariteit verwierf, die niemand hem zal afdoen.
Sinds 1920 is Hendrik Baels schepen o. m. van den burgerstand van Oostende.
Daar zit steeds in Baels de dichter en de letterkundige, van uit zijn studententijd, uit “Ons Leven”, uit “Met Tijd en Vlijt”, te Leuven ; met den gloed van den schrijver van “Ideale Handjes” en die vele letterkundige schetsen, die zijn jeugd en deze zijner studiemakkers verheugden.
Naast den stoffelijken nood, ligt hem den geestelijken nood van onze Vlaamsche volk aan het hart. Ook van korts na zijn studententijd werd hij lid van de “Commissie tot vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool” en stichtte hij te Oostende, naast tal van verstandelijke ontwikkelingswerken in den schoot van volksbond en volksmidden, de Katholieke Vlaamsche Hoogeschooluitbreiding, waarvan hij nog steeds de gevierde voorzitter is.
Op het gebied van zeevisscherij is Hendrik Baels, in ons land, de man met het on betwiste gezag. Om maar een paar van zijn vele titels op dit gebied te vermelden, zeggen wij dat hij lid is van de Provinciale Commissie voor Zeevisscherij, gewezen secretaris van den Zeevaartraad, verslaggever van den raad voor Zeevaartonderzoek en de schepenwet, vertegenwoordiger van de Regeering op het internationaal congres voor Zeevisscherij te Kopenhagen in Denemarken en dies meer.
En natuurlijk - hij zou de aristocraat niet zijn met de volksgezindheid - dat hij lid is van de stichting Godschalck : een oudenmannenhuis voor afgesloofde visschers, en de ziel en de zinder is voor al wat ons Vlaamsche visschersvolk kan helpen, steunen, beschermen, opbeuren, ontwikkelen, en brengen hoogerop !
En 't wonder is dat zelfs zijn meest verwoede tegenstrevers te Oostende en elders, vol eerbied zijn voor de rechtzinnigheid zijner volksgezindheid en de beslagenheid zijner kennissen, maar ook voor zijn hoofdschheid en zijn loyauteit. Schreef “L'Etoile Belge” nog niet dezer dagen van hem « : ”Beau garçon, charmant homme. polyglotte élégant, flamingant convaincu et sincère, autorité incontestée en toutes matières de pêche maritime.”
Ook weinig aftredende schepenen in ons land zullen ooit kunnen een afscheidsbrief laten zien, zoo vol oprechten dank, zoo vol diep gevoeld spijt om zijn aftreden, zoo vol hartelijkheid en welgemeendheid, gelijk dezen die Hendrik Baels dezer dagen ontving van wege al de bedienden, meest al liberalen uit de vroegere liberale heerschappij, van zijn bureelen ten stadhuize.
Ende... nu zit hij te Brussel in het Ministerie. Gave God dat hij den moed ook daar hebbe en de dwingende daadvaardigheid - want ook daar wacht men het wekkende woord - om op de drie ministeries, hem nu toevertrouwd, den onuitwischbaren stempel te slaan van Vlaanderen’s volle recht. Dan zou ten minsten, nog voor iets het nieuwe ministerie gediend hebben.
(Extrait du Pallieter, du 27 juin 1926)
Harry Baels
Weet gij wel dat het niet gemakkelijk is over “minister” Baels te schrijven ? Dat is niet klaar en eenvoudig. Het is niet mogelijk het democratisch Vlaamsch hart te doen opspringen bij het uitspreken van dien naam. En het is toch ook geen franskiljon.
Zoodat Wij honderd maal liever gezwegen hadden. Maar waarom is onze vriend Harry nu minister geworden ? Ja, waarom ? Waarom staat hij nu in de collectie van al degenen die langs Pallieter moeten gaan ?
Dat is allemaal de schuld van dien ellendigen frank. Zonder de industrieelen die hun “couverture” hebben gezocht in ponden en de bankiers die juist op 't nippertje den dag wisten van de groote operatie, zou dat misschien nooit aan overkomen zijn. Maar de wisselkoers is een grillig ding.
De journalisten die betaald worden om te schrijven over zaken die ze niet kennen en te zwijgen over wat ze weten, hebben onmiddellijk de vraag gesteld : is Baels een conservateur of een democraat ?
Wij antwoorden : is een democratisch conservateur.
Want dat bestaat : dit is zelfs het voorrecht van meer dan een democratisch leider. Men heeft immers zijn temperament en zijn theorie. Soms gaan bei samen. Maar als 't niet samen gaat dan wijst het temperament naar de reactie en de theorie naar de democratie. En wij zeggen het u : met een dergelijke psychische mengelmoes kan men een heel schappelijk democratisch leider worden.
Nu, dat is niet ; dat kan nog komen, maar dat is niet. Hij behoort niet aan Segers en ook niet aan Poullet. Hij is een man die een gematigde opvatting van de democratie draagt in een gematigd conservatief gemoed. En vermits hij, aan geen van beide zijden, kwetsen kon, werd hij uitverkoren.
Wij kunnen hem dus vergelijken ofte compareeren met een roos zonder doornen ; geen boerenroos, een theeroos, niet te hevig gekleurd.
En die geen schreeuwend effect maakt op de tafel van het ministerie Francqui-Vander Velde.
Een minister heeft geen speciale voorbereiding nodig. Dat is nog best zoo. Want het zijn juist de specialisten die het minst voldoen in hun eigen vak. Kijk maar naar de bankiers die minister van Financiën zijn geworden.
Zoo kon onze vriend Baels die door zijn erfelijke begaafdheden meer van kabeljauw dan van raapkool moest afweten, in volle gerustheid van geweten minister van Landbouw worden.
Nauwelijks was hij een paar weken minister of hij hield een zeer dichterlijke redevoering over de begonia's en de gloxynia's die, volgens een interpellatie van ex-Openbaar Ministerie en luxe-schepen Dolfke De Saegher - de welgenoemde - door Amerika ongenadig worden geboycot.
En als de Trouille in het regenseizoen buiten haar oevers treedt en Pépin zijn jaarlijksche interpellatie houdt over de vreeselijke teistering van deze Waalsche gracht, zal Baels, even keurig als over de begonia's, de lyrische fraze uitspreken over de gramme Trouille.
Zoodat, om de ministerieele traditie getrouw te blijven, de reeder de reeder Harry Baels veel meer zal teweegbrengen voor Landbouw en Openbare Werken dan voor Zeewezen.
Zeewezen, in onze opvatling, dat is visch : dat zijn de kabeljauwkens, de schelvischkens en de schollekens. Dat is onze arme geldbeugel en ons schamele maandelijksch budget. En wij hebben nu twee reeders in ’t ministerie : Anseele en Baels.
Asjeblieft, heeren, wat min visch naar Engeland en wal meer naar hier.
* * *
Wij hebben immers gelezen, in een artikel van een zeer interessante Vlaamsche illustratie, dat Baels advokaat werd “eerst en meest om zijn volk, en eerst en meest om zijn Vlaamsch visschersvolk ten dienste te zijn.” En wij moeten bekennen dat er heel weinig menschen advokaat geworden zijn uit zoo 'n verheven geest van zelfopoffering.
En waarom zou dan zoo iemand niet minister worden uit denzelfden geest van zelfopoffering.
Wij wachten dan ook, met den schrijver van dit artikel, dat hij “den moed hebbe en de dwingende daadvaardigheid om op de drie ministeries die hem zijn toevertrouwd, den onuitwischbaren stempel te slaan van Vlaanderen's volle recht.”
Harop! waarde vriend Baels ! De Vlaamsche ministers hebben in dit opzicht een slechte reputatie. Zij benoemen franskiljons en draaien voort zooals hun voorgangers.
Maar gij zult dat veranderen, waarde vriend.
En moest het nu gebeuren dat gij het niet verandert, wel, rechtuit gesproken, wij zouden er toch geen illusie bij verliezen.
* * *
Baels is een elegante verschijning.
Reeds te Leuven was hij zeer opvallend door zorgvuldig gladgestreken haar en 't doet ons plezier te zien dat hij, als minister, geen haarbreed ('t is 't woord) geen haar-breed zeggen wij, van deze jeugdgewoonte is afgeweken.
En heeft hij niet, als zijn voornaamste brok studentenlitteratuur, een geurig stukje proza onder den titel “Ideale Handjes” geschreven ?
Hij spreekt zooals hij is : elegant. Geen origineele, sterke zin. Origineel is niet elegant.
Niet frisch, niet eigen, niet pakkend: elegant.
Elegant “en français et en flamand.“
En, voor Oostende, flamingant.
Want Oostende, dat is “la reine des plages.” Bezie maar de liberale producten die ze sedert den oorlog vandaaruit naar de Kamer hebben gezonden: Van Glabbeke met het komieke gezicht, het buikje en het moeilijk afgelezen papiertje en Buyl, de aas der azen en de haas der hazen.
Het leidende Oostende heeft zijn intellectueele fierheid gekregen en zijn cultuur het verkeer met het paffende, boffende, bluffende parasietendom dat zich jaarlijks komt afspoelen in de Noordzee.
Toen Baels voor het eerst sprak in den gemeenteraad van Oostende, sprak hij Vlaamsch.
Dit heeft aldaar voorgoed zijn flamingantische kwaliteit bevestigd.
* * *
Sans rancune, eh, beste vriend ?
Als gij eens doet wat in het aangehaalde artikel staat, dan tracteeren wij.
Maar gij geeft toe dat het bloote feit minister te zijn in de ploeg Francqui ons niet van vreugde doet opspringen “als de lammeren der schapen.”
(Extrait du Pourquoi Pas ?, du 17 avril 1931)
Pour un brillant ministre, c'est un brillant ministre, au premier abord du moins... de l'extérieur. Nous ne savons pas s'il est né coiffé. Mais, à n'en pas douter, il appartient à cette catégorie de gens marqués par un heureux Destin. auxquels tout réussit et que la Fortune vient combler - nous ne dirons même pas surprendre dans leur sommeil.
Beau comme Endymion, avantageux comme Blancador et élégant comme Brummel, pour ne pas dire comme M. Henry Carton de Wiart, il tiendrait à merveille le rôle de jeune premier dans une de ces comédies baignées d'optimisme, où tout finit par s'arranger.
Habitué, dès la tendre jeunesse, - il est né dans une famille patricienne plus ou moins ancienne, plutôt moins que plus, du littoral - à la vie aisée et, sans tracas, ce grand homme a exercé sur lui-même cette force d'illusion. qui l'a habitué à considérer tout ce qui se passe autour de lui avec une souriante amabilité, certain qu'il est de ce que tout finit par tourner à son avantage.
On a assimilé cette passivité à de l'indolence, à une apathie somnifère et les humoristes de l'opposition, - il paraît qu'il y en a encore - ne cessent de comparer son habitat ministériel au palais de la Belle au Bois dormant ; c'est de l'exagération. L'ajournement, l'atermoiement ne sont pas toujours manifestation de paresse congénitale ; ce sont surtout des procédés du gouvernement. Fermer les yeux sur certaines choses n'est pas seulement, comme le disait Calino, une façon de ne pas les voir. C'est aussi, lorsque le char de la déesse se met en mouvement, un moyen commode de ne pas passer dessous, de se faire oublier par te mauvais sort.
Mais, si pour être heureux, il suffit de vivre caché, pourquoi M. Baels s'est-il adonné, ou plutôt abandonné à la vie publique ?
C'est peut-être bien qu'il n'a pas pu faire autrement. C'est qu'à Ostende il redevient une gloire dès que l'apothéose de la saison a éteint ses jeux. Faire de la politique est un devoir « social » (entendez-le dans le sens mondain qui s'impose aux familles « patriciennes » de la région).
Qu'elles le veuillent ou non, elles sont classées, par leur rang, par la tradition, par l'hérédité, dans l'un ou l'autre clan. C'était la province, avec le chef-lieu où il y avait deux cercles et deux fanfares. On se boudait, on s'ignorait pendant trois cent soixante jours, sauf à se rencontrer pour les festivités mondaines ou pour se bécher aux jours d'effervescence électorale.
M. BaeIs étant de famille catholique devait, nécessairement, automatiquement, faire de la politique catholique, d'autant plus que l'on avait désiré. qu'il devint avocat… comme tout le monde.
On l'avait expédié, tout d'abord, au Collège d'Ostende, puis à I' «Alma Mater » de Louvain où ses camarades ont conservé de lui le souvenir d'un étudiant distant, toujours tiré à quatre épingles, mais empreint d'une amicale et condescendante bienveillance.
Pourvu de ses diplômes, M. Baels s'installa dans sa ville natale, se mêla, discutant et sans trop agir, aux milieux politiques catholiques.
L'homme jeune était aimable et amène ; sa parole ne manquait pas de charme. II reprenait lentement, posément, en termes sensés, les problèmes d'ailleurs fort simples en ces temps d'avant-guerre autour desquels on discutait. Cette manière ne déplut pas, si bien qu'il apparut comme une réserve du parti, lequel, à ce montent, manquait vraiment d'hommes. C'est ainsi qu'on lui fit donner, en juin 1912, le strapontin de député suppléant et qu'en octobre de la même année, il se vit nommer conseiller communal. Il était lancé et n'avait plus qu'à attendre, avec la patience qui est sa vertu principale, que les aînés eussent délaissé la carrière pour qu'il pût y entrer à son tour.
* * *
Vint la guerre. M. Baels l'attendit calme et impavide au bord de ce littoral où des milliers de ses compatriotes, terrifiés par les exploits des hussards de la mort, s'étaient réfugiés, s'imaginant que les troupes du kaiser ne viendraient pas jusque-là. Lorsqu'elles apparurent, il passa la mer comme tant d'autres et se sauva à Londres.
Cette fois, reconnaissons-le, il ne demeura pas inactif. Comme tous les gens de son pays. il aime la mer du Nord, source de poésie et de richesse tout la fois. II était déjà, et depuis longtemps, président de la Société Anonyme des Pêcheries d'Ostende, secrétaire du Conseil supérieur de la Marine, secrétaire du Congrès international de la Pêche. C'est de ce côté qu'il dirigea son activité en ce temps d'épreuves.
Le gouvernement du Havre le chargea de constituer un Cercle consultatif de la pêche et de préparer, pour rapatriement en Belgique. la restauration de la batellerie. On peut bien dire que la restauration rapide de notre flotte de pêche, après l'armistice, fut en grande partie son œuvre et celle de M. Anseele, qui, entre autres incarnations. s'est révélé Grand Amiral de la flotte rouge de l'Armement ostendais. M. Baels, en ce temps-là, fut actif, entendu, compétent…
Tant de titres patriotiques devaient, évidemment, valoir de l'avancement à M. Baets. II devint, en 1920, député effectif à la mort de M. Pit. II s'agissait de prendre un parti ; notre Baels était catholique, mais de quelle nuance ?
Elu des Flandres, où le Boerenbond avait été habilement manœuvré par les démo-chrétiens flamingants, M. Baels suivit le courant.
Ce grand bourgeois, aux allures aristocratiques, se laissa paisiblement cataloguer dans les démocrates-chrétiens et les flamingants. Dame, il faut bien suivre ses électeurs.
Il ne lui coûta d'ailleurs pas grand-chose de devenir démocrate. II l'était peut-être déjà par inclination et sentiment, car ses proches prétendent qu'il a la contrepartie de tous les hommes faibles : un cœur d'or.
De même, sans être un adversaire de la France, il a une raison de n'être pas suspect, de fransquillonner aux yeux de ces « frères de race » soupçonneux. C'est un anglomane impénitent. Nous rte savons pas s'il se fait encore habiller à Oxford Street ou s'il fait encore blanchir son linge à Londres. Mais son séjour prolongé en Angleterre lui a laissé une forte empreinte. It a renforcé ce flegme que l'on prend parfois pour de l'indolence.
* * *
Ce flegme est évidemment une force. Devenu ministre. cette force lui est devenue infiniment précieuse. Au plus fort des orages parlementaires, M. Baels reste calme, imperturbable, comme si, au jeu de l'attaque, les projectiles pleuvaient à coté de lui, sans éclater.
Quand il a affaire à forte partie, un raseur déchaîné par exemple, il se renferme dans un silence réservé, se contentant de lancer vers le fâcheux un regard de bovidé qui semble dire : « Est-ce qu'il n'a pas encore fini celui-là ? »
Ou bien, encore ; « Non, vous ne m'importunez pas, parce que je ne vous écoute pas ! » Dans l'inaction, M. Baets est vraiment admirable : il a presque l'air d'un homme d'Etat.
Seulement voilà, quand il arrive à M. Baels de cesser de ne rien faire, les choses se gâtent. Comme tous les gens qui n'aiment pas à agir, quand il agit c'est souvent à contretemps. Mettons que l'arrêté interdisant l'entrée des blés russes ait été nécessaire au point de vue général, mais on assure qu'il a été pris de telle manière qu'il ne fit que favoriser les bons commerçants de Rotterdam.
Aussi les imprécations conjuguées des députés de ta Métropole, de M. Jamar à M. Van Cauwelaert, en passant par M. Joris, ont-elles failli, cette fois, ébranler la tranquille assurance qui ne quitte pas M. Baels au milieu des plus vives alertes. Mais voyez le veinard.
On était à la veille des vacances de Pâques, le gai soleil du renouveau souriait de délices et comme il ne fallait pas d'affaires en ce moment, on abandonna M. Baels à son état normal : le repos plein de quiétude et d'optimisme.
II y a encore d'heureux hommes sur terre.
(Extrait du Pourquoi Pas ?, du 24 août 1945)
Monsieur Henri Baels, ancien ministre, ancien gouverneur et beau-père
Gratior et pulchro veniens in corpore virtus. « La vertu, disait Virgile, nous apparaît plus agréable lorsqu'elle s'offre de surcroît dans un corps doué de beauté. » C'est parce qu'il est beau bel homme que M. Baels attira jadis notre attention sur sa vertu ministérielle, et c'est le beau bel homme que nous peignîmes en lui. Qu'il nous soit donc permis d'user de cette fiction qui prolonge, sur les traits des Grands, le vermillon de l'adolescence, et de reproduire l'Auguste Baels que Jacques Ochs crayonna en 1931, un Baels que les privations de la dernière guerre n'avaient pas flétri.
La vénusté a joué dans la vie de notre héros un rôle capital, puisque c'est en transmettant ses charmes physiques à sa postérité qu'il a pris rang dans l'histoire ; c'est donc en « toujours beau bel homme » que nous avons voulu le perpétuer ; nous avons tenté de donner un modèle de l’Apollon ménapien ; et si notre modèle n est pas parfait, si l'on peut découvrir qu'Auguste Baels comme nous l'écrivions dans notre commentaire de l'époque, a l'oeil quelque peu bovin, on lui passera ce petit défaut en songeant qu'Homère (quel plaisir de le rencontrer après Virgile) attribuait à la mère des dieux un regard de génisse, et que d'ailleurs il est indiqué d'avoir des yeux de vache quand on est destiné à s'allier à un monde qui fut celui de l'Œil de Bœuf.
II faut aussi que nous nous excusions d'avoir qualifié M. Baels de « beau-père. » Voici une quinzaine, un journal très quotidien av traité M. Van Glabbeke de voyou, et lui a « reproché de salir la personne du Roi. » Car, disait ce journal, étayant son grief, M. Van Glabbeke a déclaré que « M. Baels était le beau-père de Léopold III. » Nous avons hésité à suivre M. Van Glabbeke et à décréter que M. Baels était « beau-père. » Puis nous nous sommes dit que le Roi ayant épousé l'une des filles de M. Baels, le mieux était cependant d'admettre que ce dernier était ainsi devenu son beau-père. Car si nous adoptions une autre hypothèse, nous risquions de choir dans un affreux dilemme, et de laisser entendre que le Roi n'est pas le mari de sa femme, ou que M. Baels n'est pas le père de sa fille. Auquel cas c'était la calomnie et la plus méprisable, à l'adresse de la très respectable Mme Baels, qui engendra, ou du cardinal archevêque, qui maria, et dont la capacité sacramentelle est au-dessus de tout soupçon.
On a dit d'Auguste Baels que son grand-père était un modeste pêcheur, et il est exact que c'est dans cette vaste loterie de la mer, comme dit Michelet, que les Baels tirèrent leur premier billet gagnant, en attendant la loterie du conjugo. Les vieux Ostendais, compatriotes de James Ensor, aiment la couleur. Ils se plaisent à peindre une grand-maman Baels qui, dit-on, vendait des crevettes à la gare d'Ostende.
Magnifiquement brune au milieu des blondes filasses, yeux de velours et cheveux d'ébène comme ceux qui descendirent d'elle, la jolie vendeuse se faisait remarquer par son collier de corail. Et les estivants, charmés, admiraient qu'une gamme allant du vieux rose au ponceau mariât, en elle, pour la joie des yeux, les lèvres au corail, et le corail aux crevettes. On racontait aussi qu'un mariage avec un Portugais avait jeté ce grain de poivre noir dans la vanille germanique et confère à ces Baels une ardeur lusitanienne. Quelque matelot des imporiums ensoleillés, remontant vers nos plages de sables pâles, y aurait fait souche... En tous cas, quel que fût le croisement, il déborda de vitalité, et les parents de l'actuel Baels se haussèrent jusqu'à la direction de grosses affaires de pêcheries, que le frère du ministre, Jules Baels, continue toujours de gérer.
Henri Baels avait été destiné par la famille à poursuivre des études universitaires. Avocat, flamingant bon tient, anglomane convaincu, il fut pendant la première guerre, à Londres, l'un de ceux qui préparèrent la restauration de notre batetterie. Président des Pêcheries ostendaises, il était compétent en la matière et fit de la bonne besogne. En 1920, il était député, en remplacement de M. Pit, décédé.
Comment devint-il ministre ? La protection de l'évêque de Bruges y fut peut-être pour quelque chose, le hasard aussi. On raconté qu'une méprise télégraphique l'ayant appelé au cabinet Henri Jaspar, alors Premier ministre. à la place d'un ingénieur limbourgeois auquel on voulait confier certains travaux, il protesta qu'on ne l'aurait pas dérangé pour rien, s' incrusta, finit par décrocher le portefeuille des Travaux publics. Nous ne savons ce qu'il y a de vrai dans ces histoires. Toujours est-il qu'il fut successivement ministre des Travaux publics puis de l'Intérieur, géra les affaires de l'Etat d'une façon qui n'avait rien de répréhensible mais qui n'était point non plus brillante, administra cependant à ravir ses intérêts, et vers 1933, commença à paraître importun et fut débarqué.
Le débarquement méritait une compensation. On le fit gouverneur de la Flandre occidentale. II exerça sa charge sans incidents notables, sans non plus jouir d'aucune popularité. Les Baels sont des gens dont on ne dit guère de bien à Ostende, sans qu'on puisse préciser contre eux de gros griefs.
C'est alors que lui vint l’idée de faire construire au Zoute une belle demeure, voisine de la villa royale. Les hasards du sport rapprochèrent du Roi Sa fille Eliane, qui avait hérité du charme ambré de l'aïeule au collier de corail, et dont la belle histoire n'attend plus que les romanciers à gros tirages, spécialistes de la psychologie monarchique.
De ce mariage, et des tractations qui nous ne dirons mot car ce serait dépasser de beaucoup le cadre du présent article. Nous aurions l'air d'écrire une étude dans le goût des romans de Le Sage, arec tiroirs. Ce que nous pouvons affirmer, c'est qu'il y eut un certain remue-ménage d'air ambiant autour des trois demoiselles Baels, qu'on retrouvait partout à cette époque dans les halles des super-palaces, et qui jetaient comme l'on dit, un jus considérable. La plus jeune, Paula, faisait figure d’étoile cosmopolite et son sex-appeal irradiait, dans le monde du vison et des perlouzes. C’est un milieu où ne dédaignent pas de fréquenter les rois en vacances, et c'est ainsi que se nouent des relations, éclatantes pour les unes, scabreuses pour les autres.
On sait comment, en 1940, le roi signa, d’une plume qui allait connaître le repos, l’arrêté de révocation in extrémis d'Auguste Baels, coupable d'avoir abandonné sans autorisation son gouvernement de province. On sait comment cet arrêté disparut du dossier que détenait le traitre Romsée, et comment il n'a point reparu depuis. Cette intrigue a été l'un des plus pénibles incidents de l'Affaire du Roi. Toujours est-il qu'aprèsl{'union de sa fille avec Léopold III, Auguste Baels s'installa dans le Midi de la France, vivant dans une paisible retraite que des illustres pétinistes ne manquèrent pas de reproduire à l'époque. Pendant que le père se recueillait ainsi, le fils aîné se trouvait à Lisbonne, et pressé par notre légation de rejoindre l'AngIeterre pour y prendre les armes, ce fils de très nouvelle famille n’hésitait pas à répondre avec arrogance, qu'il ignorait l'existence des forces belges en Angleterre et ne les tenait pas pour régulières. Tout cela n'est pas particulièrement reluisant.
Ce qui est moins reluisant encore, ce fut que la retraite de M. Baels père ne le dissuada nullement de conserver des participations financières. C'est un homme qui a les affaires dans le sang. II fut donc l'un des responsables de la gestion des Anciens établissements Snauwaerts, au conseil desquels il appartenait. Et cela lui valut le petit ennui d'être entendu lors de l’enquête. Il fut bien aise de pouvoir faire remarquer au magistrat instructeur que les communications entre la Côte d'argent et la Côte aux crevettes étaient si précaires pendant l'occupation, qu'il ignorait tout de l'orientation économique prise par les trop fameux marchands de bois ; mais c'est égal : il y a des convocations qui sont bien désagréables !
Tirer une morale de cette histoire n'est aisé. On pourrait en déduire que la nouvelle bourgeoisie flamande, dont les Baels sont un échantillon, ne semble pas produire beaucoup d' hommes très purs. On pourrait s'étonner que la Cour de Belgique, si digne et même si et si austère du temps d'Albert Ier, se soit ouverte à des affairistes dont la progéniture, d'ailleurs séduisante, a le genre Ohé ohé… On pourrait surtout regretter que le Roi Léopold n'ait pas retrouvé l'exposé des motifs qui firent écarter du trône, en 1830, un prince autochtone, comme un Mérode ou un de Ligne ; parce que, disait-on, ce prince, si brillamment allié qu'il eût pu être, aurait tout de même eu des parentés avec de simples citoyens, circonstance qui aurait nui à son crédit.
(Extrait du Peuple, du 16 juin 1951)
On annonce le décès de M. Henri Baels, ancien ministre et ancien gouverneur de la Flandre occidentale.
M. Henri était né à Ostende, le 18 janvier 1878.
Père de la princesse de Rethy, il était entré à la Chambre le 10 février 1920 et fut député jusqu'au moment où il fut nommé gouverneur de la Flandre occidentale, le 6 juin 1933.
M. Baels avait été aussi ministre des Travaux publics et ministre de l'Agriculture, du 20 mai 1926 au 19 octobre 1929 ; ministre de l'Intérieur et ministre de l'Agriculture du 19 octobre 1929 au 18 mai 1930, et enfin ministre de l'Agriculture du 18 mai 1930 au 6 juillet 1931. Il avait donc géré le département de l'Agriculture sans discontinuer du 20 mai 1926 au 6 juillet 1931.
(Extrait du Standaard, du 15 juin 1951)
Oud-minister Hendrik Baels te Knokke overleden
Onvoorziene einde van een vruchtbaar leven
Uit Knokke wordt het overlijden gemeld. Donderdagochtend, van de heer Hendrik Baels. In 1878 te Oostende geboren, studeerde hij rechtenl aan de Leuvense universiteit, waar hij een opgemerkt Vlaamsliteraire oedrijvigheid aart de dag legde in de verschillende genootschappen en verenigingen welke toentertijd de toon aangaven onder de jonge katholieke Vlamingen. Na voltooiing van zijn studiën vestigde dhr Baels als advocaat in zijn vaderstad, welke hem in 1912 een zetel in haar gemeenteraad aanbood. Van 1921 tot 1926 nam hij er het ambt van schepen waar. Inmiddels was hij reeds in 1920 naar de Kamer van Volksvertegenwoordigers afgevaardigd. In de daaroovolgende jaren werden hem verschillende portefeuilles toevertrowd : Openbare Werken en Landbouw (20 Mei 1926-19 October 1929) evenals Binnenlandse Zaken en Landbouw (19 October 1929-18 Mei 1930) en Landbouw (18 Mei 1930-6 Juli 1931), dat hij onafgebroken van 20 Mei 1926 tot 6 Juli 1931 aan het hoofd van het departement van Landbouw heeft gestaan.
Op 6 Juni 1933 benoemde koning Albert dhr. Hendrik Baels tot gouverneur van de provincie West-Vlaanderen, welk ambt hij tot bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog zou vervullen.
Terecht was men getroffen door de uiterst bescheiden houding welke de afgestorvene steeds heeft aangenomen ten overstaan van de jongste politieke gebeurtenissen. Van het begin tot het einde der ernstige beroering bleef hij immer op de achtergrond.
De familieleden van de overledene en vooral de prinses van Retie werden verrast door deze droeve gebeurtenis Ter plaats werd inderdaad vernomen, dat dhr. Baels eergisteren nog bedrijvig was geweest. Een pijnlijke kwaal verplichtte hem wel is waar de kamer te houden, doch niets liet een spoedig einde voorzien. In zover dat de patiënt zelfs het H. Oliesel meende te kunnen uitstellen. Gelukkig is zulks niet gebeurd, want enkele uren later was de gewezen gouverneur van West-Vlaanderen niet meer.
Het verblijf van de prinses van Retie aan de Azurenkust houdt, naar wij vernamen, uitsluitend verband met een rustperiode welke de Koning doormaakt ingevolge de recente dynastieke beslissingen.
Men vermoedt evenwel dat de prinses de uitvaart van haar vader zal bij wonen. Maandag a.s. wordt overigens in de kapel van het kasteel te Laken een H. Mis opgedragen tot zielelafenis van al de leden van de koninklijke familie.
(Extrait du Standaard, du 16 juin 1951)
Zeevisserij rouwt om wijlen minister Baels
De algemene vergadering van het verbond der Belgische Zeevisserij die Zondag te Oostende zou plaats hebben, is ten tegen van rouw, uitgesteld, in verband met het overlijden van dhr Henri Baels, oud-minister en ere-voorzitter van deze vereniging.
Wellicht heeft niemand zoveel voor de visserij gepresteerd dan dhr Baels. Zelf kind van de zee en zoon van een Oostends reder, dichtte hij reeds als student over de zee. Toen hij in 1927 als minister van Landbouw de visserij onder zijn bevoegdheid kreeg, wierp met hart en ziel op zijn taak. Was hij de ontwerper van vele plannen en zorgde hij tevens niet voor hun verwezenlijking ? Zijn bekommernis strekte zich uit over gans de visserij zowel over de reder, de vishandelaar als het vissersvolk. Onder zijn voornaamste verwezenlijkingen kunnen we vernoemen : stichting van een rechtskundige, technische en wetenschappelijke raad der zeevisserij, van de hoge raad der zeevisserij, van de commissie voor zeevisteelt en mosselteelt, hervorming van de zeevisserstatistieken op wetenschappelijke basis, toezicht op de visserijscholen en hervorming van het visserijonderwijs. oprichting van een beurzenstelsel en vermeerdering van premies, beschermingsmaatregelen voor de kustvisserij, instelling van een consultatiebureel voor de vissers, uitbreiding van het krediet aan de zeevisserij, vrijstelling door de regering van de soldatendienst voor de vissers, uitgave van een jaarverslag over de zeevisserij. stichting van een propagandacommissie voor visverbruik, wet op de verplichte aanmonstering der Vissersjongens, inrichting van de verzekering der zeevissers tegen beroepsongevallen. Ontelbaar zijn verdere tussenkomsten. Als gouverneur der provincie onderhield hij ken contact met de visserij. en als dank voor grote verdiensten werd hem op 12 November 1933 door de ganse visserij te Oostende een onvergetelijke hulde gebracht. Een der levensdoelen van deze man is geweest de Belgische visserij op het peil te brengen van onze nabuurlanden. Dit doel heeft hij en zelf op verschillende punten heeft onze visserij de concurrenten voorbijgestreefd. Indien onze visserij thans geworden is een der vooruitstrevendste van gans het Europees continent, dan dit grotendeels zijn werk geweest. Daarom ook zal de grote figuur van dhr Baels in onze visserij steeds voortleven, onafscheidbaar in ramp en voorspoed. Daarom ook wordt zijn heengaan aan de kust zo diep betreurd.
Voir aussi : Bert GOVAERTS B., Baels, Henri, sur le site de la Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (consulté le 1 avril 2026)