Accueil Séances Plénières Tables des matières Législation Biographies Documentation Note d’intention

Van Rijswijck Jan (1853-1906)

Portrait de Van Rijswijck Jan

Van Rijswijck Jan, Corneille libéral

né en 1853 à Anvers décédé en 1906 à Testelt

Représentant 1900-1906 , élu par l'arrondissement de Anvers

Biographie

(Extrait de LIVRAUW F., Le Parlement belge en 1900-1902, Bruxelles, Société belge de Librairie, 1901, p. 165)

Jan VAN RIJSWIJCK

Représentant libéral progressiste pour l’arrondissement d’Anvers, né à Anvers le 14 février 1853.

Avocat, bourgmestre de la ville d'Anvers. - Fit ses éludes au Collège des Joséphites, à Melle, et suivit les cours des Universités de Louvain et de Bruxelles : reçu docteur en droit en 1876. - Siégea au Conseil provincial d'Anvers de 1878 à 1884. - Elu conseiller communal en 1881, il fut nommé échevin de l'instruction publique en 1889 et bourgmestre en 1892. - I.es libéraux d'Anvers l'envoyèrent à la Chambre le 27 mai 1900. - Signa, avec ses collègues de Bruxelles, Gand et Liége, le Manifeste relatif à là Constitution d'un corps d'armée de volontaires belges qui prendrait part à la répression de l'insurrection de l'Extrême-Orient. - Vice-président de la Commission chargée de l'étude des questions relatives à la situation militaire du pays. - Chevalier des Ordres de Léopold et du Lion néerlandais, officier de l'Ordre de la Couronne du Congo, commandeur des Ordres de la Couronne royale de Prusse, de l'Etoile polaire, de la Couronne d'Italie et de l'Ordre du Sauveur.


(Extrait du Handelsblad van Antwerpen, du 23 septembre 1906)

Jan Van Rijkwijck is eindelijk door den dood van zijn lijden lost.

Indien zijn afsterven, ondanks alles, voor zijne nabestaanden een onherstelbaar verlies blijft, men mag zeggen dat de bevolking met een zucht van verlichting de tijding vernomen heeft, dat de lijdenskelk hem ten slotte van de lippen verwijderd is. De dood was toch voor hem de verlossing van ondragelijke pijnen en het einde van een gebroken, ondermijnd, jammerlijk bestaan. Al de genegenheid der zijnen, al de toewijding van vrienden, al het medelijden van ieder gevoelig man, konden aan dit veroordeelde gestel geene nieuwe krachten, geen nieuw meer schenken.

Wat Jan Van Rijswijck was voor zijne moederstad, voor de Vlamingen en voor zijne partij werd uit gezaghebbenden mond, door redenaars van alle partijen in den gemeenteraad van Antwerpen gezegd, in de gemeenteraadszitting, in de welke zijn ontslag als burgemeester dezer stede werd bekend gemaakt.

De door al zijne collegas uitgedrukte wenschen van herstel waren echter, hoe hartelijk en oprecht ook uitgedrukt, slechts vormelijke wenschen ; want allen wisten dat de oud-burgemeester van Antwerpen veroordeeld was en dat de dood toen reeds hem beloerde.

* * *

Jan Van Rijswijck werd geboren te Antwerpen den 14 Februari 1853.

Hij deed zijne middelbare studiën in het college der Josephieten te Melle, hoogere studiën in de hoogescholen van Leuven en Brussel en promoveerde in 1876 als doctor in de rechten in zijne moederstad.

Het was in 1878 dat hij in het politieke leven trad en door den “Liberalen Vlaamsche Bond” werd afgevaardigd naar den Provincialen Raad, waarvan hij deel maakte tot in 1884.

Hij was intusschen, in 1881, lid van den gemeenteraad gekozen ; in 1889 volgde hij AIlewaert op als schepen van openbaar onderwijs en in 1892 benoemde Z.M. de koning hem tot burgemeester van Antwerpen. Op 27 Mei 1900 werd hij, bij de eerste der Evenredige Vertegenwoordiging, lid der Kamer van volksvertegenwoordigers gekozen en vertegenwoordigde gedurende zes jaren zijne moederstad in het parlement.

In Mei ll. nam hij geene candidatuur meer aan, ondermijnd als hij reeds was en voelend zelf hoe hij ten grave werd gesleept ; den 5 Juni daaropvolgend gaf hij zijn ontslag als burgemeester en kort nadien als gemeenteraadslid. Als openbaar man bestond hij niet meer.

* * *

Ziedaar in het kort de levensschets van Jan Van Rijswijck ; maar zij zegt niet wie en wat en welke rol hij gespeeld heeft in de geschiedenis van Antwerpen.

Wil hebben hem niet te beoordeelen als politiek man ; de liberalen zullen hem loven en prijzen om wat hij voor zijne partij gedaan heeft. Er zal daar misschien veel bombast bij verteld worden, want zoo de afgestorvene groote gaven had, een politiek man in de ziel was hij niet. De stof voor een dichter en een schrijver was meer in hem voor handen en God alleen weet hoe veel gelukkiger hij zou geweest zijn, hadde hij zich met de gewone glorie der Van Rijswijck's vergenoegd.

Maar hij was redenaar ; hij aardde dus naar zijn vader en zonder, als dezen, een oprecht volksredenaar te zijn, meer dan hij bezat hij de kunst om de onbeduidendste dingen te zeggen met eene weergalooze bekoring ; de liberale partij, in wier rangen Vlaamsche redenaars schaarsch waren, legde de hand op hem en men weet welke rol hij gespeeld heeft en hoe bij ten slotte, door de omstandigheden meegevoerd, burgemeester van Antwerpen werd, tegen den wil der franskiljonskliek in zijne partij.

Was die man, met dat dichterlijk gemoed, in politiek sectarisch ? Wil hebben ons altijd voorgespiegeld dat hij louter sectarisch was op bevel. Toen hij enkel aan zijn goed hart gehoor gaf, stemde hij de toelage voor de katholieke schoolcolonies ; toen hij het bevel ontving van tegen te stemmen het volgend jaar, gehoorzaamde hij.

Een oprecht politiek man is tevens een man van sterk karakter en dat was niet het zijne ; daar was hij veel te dichterlijk voor. Zelfs toen hij nog gaaf en gezond, en in het volle bezit zijner heerlijke geestvermogens was, toonde hij zich als burgemeester een zwak beheerder, man zonder eigen wil, die zich liet leiden door anderen en geen weg volgde, dien hi) zelf had afgebakend.

't Was enkel in 't vuur van de bespreking, dat hij zijn gezag verovorde en gedurende de vier jaren van 1890 tot 1900, dat de raad uit 20 liberalan en 19 Meetingisten bestond, bekleedde hij het voorzitterschap op eene wijze, die hem wis en zeker recht gaf op erkentelijkheid van wegezijne partijgenooten.

Of allen hem met de munt der erkentelijkhebben betaald, daar kunnen wij niet over oordeelen en zullen de liberalen best onder elkaar veten.

* * *

Voor de Vlamingen is hij nooit een leider in den waren zin des woords geweest ; doch weinigen hebben onze taal zoo sierlijk en zwierig gesproken als hij ; zij kreeg iets aristocratisch in zijnen mond ; zij klonk als harpenzang op zijne lippen en de beelden, die hij wist voor te tooveren, waren als bloemen uit eene schitterende lustwarande. 't Geheim van zijnen bijval als redenaar, de bekoring, en als hij daar stond, jongen uit den burgerstand, met zijn schoonen artistenkop, sprekend de taal onzer vaderen zoo zoetluidend en zangerig als hij slechts dit kon, dan weekte in het gemoed van den tegenstrever alle politiek gevoel, men werd nog enkel Vlaming - en God dank ! als Vlamingen alle politiek gevoel, men zijn we trots op onze zonen en - zijn we ook verdeeld in politiek - ze zijn voor ons allen de “onzen”.

Toen wij in 1894 de leden van het Perscongres aan Jan Van Rijswijck voorstelden, hadden wij weer een reden tot fierheid. Hij was niet gewiegd op de knieën eener hertogin, doch weinige hertogszonen zouden met zooveel hoofschheid de vreemdelingen hebben ontvangen en nog weiniger zouden met zooveel losheid en kunde vijf, zes talen gesproken hebben, om ieder vreemdeling in zijne moedertaal te laten gevoelen dat hier thuis was. Toen verdween de politieke man weer uit onze oogen en we zagen alleen, den man van onzen stand, die het ambt van eerste magistraat waardig vervulde.

Wanneer hij sprak tot de kinderen, op de Beurs, ter gelegenheid van het vaderlandsch feest, wist hij zoo gemoedelijk den weg tot het hart der kinderen te vinden, zoo verheven beelden te tooveren om te spreken tot het gemoed, dat men enkel diep betreuren dat hij was een politiek man en dat hij niet was een Conscience of een Benoit, die boven onze politieke twisten stond, en dien we allen, zonder onderscheid, op de handen kon den dragen.

Zijn lijdensweg is een lange geweest- een lijdensweg, die vijf jaren gevraagd heeft om afgelegd te worden. Van over vijf jaren heen hi) den klauw van den dood op zijne schouders gevoeld, heeft hij de krachten uit zijn lichaam en de geestvermogens uit zijn brein, langzaam, druppel bij druppel, voelen wegvlieden. Zijne vijf laatste levens jaren zin eene martelie van alle dagen, van alle uren geweest.

't Waren in den beginne minder lichamelijke dan zedelijke pijnen ; 't was de instorting van zijn levensdroomen toen hij, in 't collège of in den gemeenteraad, zich door de minste bespreking tot volslagen afmatting voelde vermoeien, de hersens voelde verweeken en plots werd getroffen door volledige onbewustheid van wat er gezegd en gedaan werd.

Men weet hoe hij herhaaldelijk naar Testelt ging, om nieuwe krachten te zoeken ; telkenmale hij zich iets beter gevoelde, keerde hij terug, wanende de ziekte overmeesterd te hebben en het was slechts om spoedig daarna nieuwe ontgoochelingen en nieuwe teleurstellingen op te loopen.

Was het eene ziekte van het gestel zelf, of hebben tegenspoed en verdriet hem geknakt ? Het is 't oogenblik niet daar verder over uit wijden. De oud-burgemeester heeft ontgoochelingen in het leven gekend, die andere gestellen du het zijne zouden gebroken hebben.

De bladen zijner partij zeggen dat hik tot 't laatst de wijsgeerige overtuiging zijns levens is trouw gebleven en dat bijgevolg, de begrafenis louter burgerlijk zal wezen. Wij betreuren dat de troost van het geloof, hem, die zoo naar troost snakte, is ontnomen gebleven en 't is onze innige hoop dat het licht der goddelijke genade ook tot hem is doorgeen in zijnen laatsten stond.

* * *

Jan Van Riswijck is overleden Zondag voormiddag. Ten 11 ure. Zoodra het droevig nieuws uit Testelt was toegekomen, werd op het stadhuis, op O.-L.-Vrouwetoren en op al openbare gebouwen de vlag half top geheschen. Ook door bijzondere uitgaven der liberale bladen werd het nieuws in de stad bekend, en, alhoewel niet onverwacht, verwekte het nieuws toch algemeene deelneming.

Burgemeester Hertogs liet de volgende proclamatie uitplakken :

« De burgemeester der stad Antwerpen brengt met droefheid ter kennis van zijne medeburgers, het overlijden van hunnen oud-burgemeester, Jan Van Rijswïck.

“ (Get.) Alphons HERTOGS. »


(Extrait de L’Indépendance belge, du 25 septembre 1906)

La nouvelle de la mort de Jan Rijswijck a profondément impressionné tous les milieux libéraux du pays. Depuis deux ans, on que l'ancien bourgmestre d'Anvers était irrémédiablement atteint, qu'aucun espoir de guérison ne lui était permis, et sa disparition de la scène politique, l'année dernière, suscita d'unanimes regrets, mais sa mort frappe tous les amis connus et inconnus qui aimaient cette haute et loyale figure.

C'est que Jan Van Rijswijck incarnait tout le libéralisme anversois, c'est qu’en lui se résumaient les qualités maîtresses de la race, c'est que de lui se dégageait le charme que subissait les foules et qui entraîne les masses au grand combat. Ce fut une personnalité exquise, un de ces êtres admirablement doué pour la vie publique et sacrifiant toutes les forces de leur âme à la cause qu'ils défendent.

Jan Van Rijswijck mort à l'âge où d'autres donnent toute la mesure de leur maturité, mais telle quelle sa carrière fût des mieux remplies et le prestige de la vieillesse ne lui fut nécessaire pour s'imposer à tous. Nous avons rappelé ailleurs quel fut son rôle au Conseil provincial d Anvers, au Conseil communal, à la Chambre ; mais il vivra surtout dans le souvenir attendri de ceux qui le connurent comme le plus parfait des bourgmestres d'Anvers. Il avait l’âme qu'il fallait pour représenter cette grande ville du commerce, cette cité où l’art flamand a tant de richesses, et il faisait songer un peu à ces bourgmestres de jadis, bourgeois de haute culture de grand raffinement, qu'on choisissait comme les plus sages et les plus dignes, comme les plus hardis aussi à défendre ce vieil idéal de liberté qui éclaira toujours la vie de nos grandes cités et qui leur assure dans l’histoire une place si prestigieuse.

C'est le parti libéral anversois surtout qui est atteint par la mort de Jan Van Rijswijck, car on ne dira jamais assez quelle influence il exerça sur les groupements libéraux d'Anvers, sur ces « gueux ardents à la bataille politique et dont les querelles personnelles compromirent parfois les victoires. Jan Van Rijswijck était là le grand conciliateur, le conseiller dans la loyauté duquel tous avaient confiance, le chef populaire qu'on suivait toujours parce qu’on savait que le peuple serait avec lui, qu'il exerçait cette attirance des cœurs d'élite qui triomphent la seule bonté. Déjà lors des dernières batailles électorales on déplora de ne plus trouver Van Rijswijck au premier rang et on eut la perception très nette qu'une force longtemps éprouvée faisait défaut et que l'atmosphère politique anversoise s'en trouvait peu changée.

Aujourd’hui, ce vide sera plus grand, plus réel ; mais les libéraux anversois savent qu'ils ne peuvent mieux honorer le disparu qu'ils pleurent qu'en travaillant énergiquement à leur union et en préparant pour l'avenir immédiat de nouvelles pour ce libéralisme auquel Jan Van Rijswijck a sacrifié le meilleur de sa vie.


(Extrait de La Gazette de Charleroi, du 25 septembre 1906)

De l’émouvant article que notre confrère Eugène Landoy consacre dans le « Matin » d'Anvers à l’inoubliable défunt, nous détachons ces extraits :

Quand vous aurez lui tout ce que disent les biographies, vous ne saurez pas encore ce qu'était Jan Van Rijswijck.

Quand vous aurez lu le compte-rendu des séances du Conseil provincial de 1878 à 1884, et compulsé tout le Bulletin communal depuis vingt-cinq ans, vous ne saurez pas encore ce qu’était Jan de Rijswijck.

On vous le montrera dans les meetings, il y a vingt ans, souriant, le teint rose, les yeux d’un bleu tendre, le front auréolé de fins cheveux blonds, beau comme un jeune dieu, accueilli dès qu’il montait à la tribune par une de ces ovations qu’on n’oublie pas et où Anvers mettait tout son cœur. On bous rappellera avec quelle charme, dans quel joli flamand, avec quelle netteté d’accent qui n’était qu’à lui, il développait les sujets les plus brûlants de la politique devant un auditoire suspendus à ses lèvres. On vous dira si vous ne l’avez pas vu, que l’assistance, après qu’il avait parlé, ne se lassait pas de l’acclamer, et qu’elle aurait voulu le presser sur sa poitrine, comme son enfant ; car la population anversoise l’avait adopté, elle était fière de cet élégant tribun qui avait une tête à la Van Dyck et qui savait mettre de l’art dans la politique. Et maintenant vous commencerez à savoir ce qu’était Van Rijswijck.

C’était un artiste.

Il avait été élevé dans un foyer qui respirait l’amour des lettres. Son père était publiciste, poète à ses loisirs, et il avait de bonne heure entendu bourdonner autour de lui les vers de son oncle Théodore, qui fut une cigale. Il était sensible à tous les arts, à la peinture, à la musique comme à la littérature, si sensible que toute belle chose le plongeait dans une profonde rêverie. Sans doute, il fit un avocat de talent, un mandataire public remarquable, un bourgmestre qui donnait une haute idée d’Anvers, car il s’exprimait en allemand et en anglais avec la même aisance qu’en flamand ou en français, et, à l’Exposition universelle de 1894, où il présida à tant de réceptions, il fit la conquête de tous les étrangers. Mais peut-être que s’il avait suivi ses goûts, s’il avait pu céder au secret penchant de sa nature, il se serait mis à écrire et aurait ciselé de délicats chefs-d’œuvre. Il eût donné au peuple flamand un conteur de plus, mais d’une note personnelle, à la fois raffinée et ingénue, d’un sentiment tendre et pénétrant. Ce qu’il fit avec le plus de plaisir pendant toute sa carrière publique, ce fit les discours qu’il prononça à la fête de la Patrie qui était aussi la fête des écoles. Il aimait les enfants comme tous les vrais poètes, il aimait à se mirer dans leurs prunelles réjouies, il aimait ces petites âmes neuves, ignorantes encore de toute dissimulation. Quelle allocution adorable que celle où il leur parla des chansons, des oiseaux et des fleurs ! Que cela était loin des habituels conseils que l’on donne à la jeunesse, d’un ton pédant, avec de grands mots qui sonnent creux ! Jamais bourgmestre, dans une circonstance solennelle, ne s’était exprimé avec cet abandon et cette grâce. Il fut alors artiste, il fut poète, il fut lui-même, et vous savez, si vous étire là, ce qu’était Jan Van Rijswijk.

Ce n’était pas un lutteur politique, bien que la politique l’eût pris de bonne heure, eût fait main basse en quelque sorte sur cet esprit si bien doué. Il n’avait pas cette énergie qui va droit à son but, ni cette vigueur de constitution qu’il fait pour soutenir un rôle militant. Fidèle à son devoir, il sut payer de sa personne quand il le fallait, et c’est ainsi qu’on le vit, lors de la grève des dockers, plutôt que de requérir la troupe, passer de longues heures au port, exhortant les grévistes au calme, passant d’un groupe à un autre, se multipliant, se prodiguant, lui qui ne pouvait se fatiguer sans en éprouver une grave maladie physique, heureux d’éviter une effusion de sang au prix de son repos et de sa santé. Mais il fut toujours effrayé de sa responsabilité, il la trouva toujours trop lourde, et il ne cessa d’envier le temps où il n’était qu’avocat et où, pendant le temps où il n’était qu’avocat et où, pendant ses loisirs, il pouvait lire ses chers auteurs. Même le souci de la représentation lui pesait, le côté officiel de ses fonctions l’accablait, et les allocutions qu’il faisait si bien, les toasts où il excellait, les discours de réception où il savait toujours mettre quelque chose de fin et d’original, tout cela l’épuisait, parce que la facilité d’improvisation qu’on lui attribuait n’était qu’apparente, où plutôt parce qu’il avait le sentiment de la perfection et qu’il ne pouvait se résoudre à être médiocre.

Voici maintenant qu’il repose pour toujours, enlevé à cinquante-trois ans, celui qui aspira tant au repos, et cette mort est un deuil inexprimable non seulement pour les siens, mais pour tous ceux qui surent apprécier sa nature délicate, son doux et lumineux esprit. Il laissera le souvenir d’un bourgmestre comme il y en a fort peu, comme on n’en verra peut-être plus jamais, un bourgmestre qui ne se fit pas craindre, qui songea rarement à faire acte d’autorité, qui ne voulut même pas prendre l’air et le ton de ses fonctions, tant il était affable et simple. Mais il sut se faire aimer, parce qu’il laisse toujours parler son cœur et qu’il eut au plus haut degré ce don qui n’appartient qu’aux créatures d’élite : le charme. Et longtemps encore son nom sera révéré parmi nous, à cause des enfants auxquels il a dit des choses si belles et si émouvantes et qui s’en souviendront en grandissant. Ils songeront, en fleurissant sa tombe, aux fleurs dont il leur parlait, ils nourriront les oiseaux en mémoire de lui, et, quant à ces chansons flamandes qu’il aimait tant il les apprendront un jour à leur propres enfants en disant : « Nous l’avons connu, nous savions ce qu’était Jan Rijswijck ! »

* * *

Longue agonie

Jan Van Rijswijck n'eut pas seulement cette agonie de quelques jours qui nous présagea sa mort imminente, no même cette agonie de quelques mois de son dernier séjour à Testelt : toute sa vie des dernières années fut une lente et terrible agonie. Depuis cinq ans, il se sentait mourir. Il ne sentait pas seulement amoindrir ses forces physiques, il sentait aussi et surtout décroître ses facultés intellectuelles, et comme il avait le don, souvent fatal, de s’analyser avec une extrême minutie, cette lente désagrégation de son intelligence, jadis si brillante, fut pour lui la plus horrible des tortures.

Lorsqu’il devint sérieusement malade, il y a cinq ans, il ne se rendait pas encore compte de la gravité de son état, mais ce furent des symptômes intellectuels qui l’en avertirent cruellement. Une discussion au Collège, une séance au Conseil communal devinrent pour lui de véritables souffrances, non seulement parce qu’elles le fatiguaient, mais surtout parce qu’il n’était plus sûr de lui, qu’il craignait de rester court pour répondre à une question, de ne plus pouvoir suivre les débats qu’il menait, d’être frappé tout à coup d’une sorte d’amnésie du cerveau l’empêchant de formuler une idée… Ceux qui connaissaient ce drame intime et qui lisaient cette souffrance sur la physionomie de Jan Van Rijswijck pendant qu’il présidait le Conseil communal se sentaient pris d’une pitié intense et poignante.

Il lutta vaillamment au début. Ses premiers séjours à Testelt furent courts ; chaque fois qu'il avait repris un peu de forces, il se hâtait de rentrer à Anvers et de reprendre ses fonctions, espérant qu'il allait se « retrouver »… Mais bientôt c'était la rechute et chaque fois s'en allait un lambeau de cet espoir !... Il dut plus fréquemment et plus longuement abandonner son poste.

A plusieurs reprises cependant on crut il crut lui-même - les médecins seuls hochaient douloureusement la tête lorsqu'on leur en parlait - que le mal était vaincu : lors de la grande manifestation en son honneur à l'Hippodrome, il y a trois ans, il prononça un discours d'allure énergique qui valut des ovations interminables. Il y deux ans surtout, à la fête patriotique de la Bourse, son discours sur les chansons, les oiseaux et les fleurs, un petit chef-d'œuvre de sentiment et de grâce, fit croire que le Jan Van Rijswijck d’autrefois était revenu... Hélas ! Ce discours fut comme son chant du cygne. Bientôt le mal eut le dessus et ce fut la chute dans l'abime du découragement. On ne vit presque plus le bourgmestre à Anvers et bientôt Jan Van Rijswtjck mourut à la vie publique : aux élections législatives, en mai dernier, il refusa la candidature que lui offrait le « Liberale Vlaamsche Bond » ; le 5 juin dernier, il envoyait au Roi sa démission de bourgmestre et le Conseil communal décidait de lui accorder une pension qui sera réversible en partie sur sa veuve. Quelques jours plus tard, il démissionnait comme conseiller communal. C'était la fin...

* * *

A Testelt

M. l'échevin Ceulemans et M. Possemiers, secrétaire communal, délégués du Collège ; se sont rendus à Testelt pour présenter les condoléances de la ville d'Anvers à la veuve de celui qu'elle considérait encore comme son premier magistral. Le Collège proposera au Conseil communal de faire à M. Van Rijswijck, aux frais de la ville, des funérailles dignes de lui, et de lui réserver une sépulture dans une des plus belles parties du cimetière du Kiel.

Ces funérailles auront lieu jeudi prochain, à 3 heures, avec toute la pompe qui caractérisa celle du bourgmestre de Wael.

Jan Van Rijswijck repose sur la couche même où il a tant souffert. Sa physionomie est apaisée, empreinte d’une sérénité absolue. Pas de trace de douleur sur ces traits fins et purs. La mort, en passant, a effacé de son aile, toute trace d'angoisse et de souffrance. Une bonté infinie - sa bonté de toujours - caractérise cette face aristocratique que les yeux – à jamais fermés ! - faisaient si doucement spirituelle et lumineuse. Une seule chose seulement trouble un peu le souvenir : la disparition de la barbe. Jan Van Rijswijck se l’était fait raser, récemment, cette barbiche qui, autrefois, le faisait le frère de Van Dyck… Et ce visage ras, inhabituel, donne à ceux qui le contemplent, l’illusion - hélas ! vite envolée ! - que ce n'est pas Jan Van Rijswick qui repose là, mais un autre, qui repose là, mais un autre qui lui ressemblerait...


(VERSCHAEREN J. Van Rijswijck, dans Nationaal Biografisch Woordenboek, Bruxelles, 1987, vol. 12, col. 608-617)

RIJSWIJCK (van), Jan (Cornelis), advocaat, journalist en politicus.

Geboren te Antwerpen op 14 febr. 1853 ; overleden te Testelt op 23 sept. 1906. Jan Van Rijswijck stamde uit een bekende familie van letterkundigen en politiek geëngageerden. De volksdichter Theodoor Van Rijswijck was zijn oom. Zijn vader, Jan Baptiste, werd als ondermeester in een stadsschool ontslagen wegens antikoningsgezinde publikaties in Antwerpse liberale satirische weekbladen. Hij behoorde tot de groep van flaminganten die de Vlaamse zaak boven de partijen stelde. In 1862 werd hij op de lijst van de Meetingpartij tot gemeenteraadslid verkozen. Zijn kritiek en zijn beschuldigingen van financieel bedrog verwijderden hem uit de politiek. Overtuigd van zijn goed recht, had hij gedurende zijn laatste levensjaren voortdurend te maken met het gerecht. Bij zijn dood ( 1869) liet hij een aanzienlijke schuldenlast na. Jans moeder, Isabella Tielemans, overleed in 1866. Hij huwde op 9 dec. 1880 met Adolfina Biemans, bij wie hij vier kinderen kreeg.

Jan Van Rijswijck zou de strijd en de moeilijkheden van zijn vader met de klerikalen nooit vergeten. Opgegroeid in een godsdienstig gezin, verzaakte hij reeds op jeugdige leeftijd het katholieke geloof. Hij werd sterk antiklerikaal en antikatholiek, maar niet antigodsdienstig. Hij doorliep zijn humaniorajaren aan de Franstalige kostscholen van de paters jozefieten onder toezicht van een oom van moederszijde, die er leraar was, van 1864 tot 1868 te Melle en van 1868 tot 1870 te Leuven. Hij begon in deze stad universitaire studies in de rechten, doch ging in 1873 te Brussel verder studeren. Hij behaalde er zijn diploma in 1876. Op 16-jarige leeftijd wees geworden, diende hij zelf zijn levensonderhoud en zijn studies te bekostigen met lesgeven en journalistiek. In Leuven was hij als boekbewaarder actief in het literaire genootschap Met Tijd en Vlijt en als redactiesecretaris van het blad Lettervruchten.

Na zijn studies vestigde hij zich als advocaat te Antwerpen. Hij bleef, zelfs tijdens zijn stageperiode, nog een tijdlang lesgeven. In 1877 werd hij belast met de cursus wetgeving in de Antwerpse Nijverheidsschool en in 1879 werd hij benoemd tot leraar bestuurlijk en grondwettelijk recht aan de Rijksnormaalschool te Lier. In 1880 onderwees hij hetzelfde vak aan de Normaalschool te Antwerpen tot de opheffing van dit instituut in 1884. Zijn advocatenpraktijk werd vanaf nu zijn enige beroepsbezigheid.

Jan Van Rijswijck scheen van huize uit voor de politiek voorbestemd. De provincieraadsverkiezingen van mei 1878 waren het begin van een succesrijke carrière. Hij was provincieraadslid van 1878 tot 1884, zetelde in de Antwerpse gemeenteraad van 1881 tot 1906, was schepen van onderwijs (1889-1892), burgemeester van Antwerpen (1892-1906) en volksvertegenwoordiger (1900-1906). In 1876 was hij lid geworden van de Liberale Vlaamse Bond, door Julius de Geyter in 1866 gesticht met een radicaal programma dat eerder antiklerikaal en democratisch was dan vlaamsgezind. Vermoedelijk was hij ook lid van de Geuzenbond, die in de eerste plaats de hereniging wilde van de “afgescheurde" liberalen die nog de Meetingpartij aankleefden. Van Rijswijck kwam in de provincieraad na het akkoord tussen de Liberale Associatie, de Liberale Vlaamse Bond en de Geuzenbond, waarbij was overeengekomen de kandidaten voortaan aan de kiezers voor te stellen onder de naam van Verenigde Liberalen. Hij heeft in de raad zelden het woord gevoerd, maar dan alleen in het Nederlands. Na de invoering van het bekwaamheidskiesrecht in 1883 werd de provincieraad ontbonden. In de verkiezingen van 1884 leden de liberalen de nederlaag. Sindsdien was Van Rijswijck geen kandidaat meer voor de provincie.

Van Rijswijck zetelde vanaf 25 okt. 1881 gedurende 25 jaar in de Antwerpse gemeenteraad. Hij had er al naam verworven in de schoolpolitiek nog vóór hij in 1889 schepen van onderwijs werd. Hij had zich met veel gezag gekant tegen de gedwongen aanneming van vrije scholen en tegen de vermindering van de staatstoelagen aan het Antwerpse gemeentelijke onderwijs met de subsidies die door het rijk rechtstreeks aan de vrije, katholieke, scholen werden gegeven. In de scholen moesten volgens hem een a-politieke sfeer en verdraagzaamheid heersen. Hij was niet zozeer tegen de katholieke godsdienst, maar hij heeft toch elk onderricht ervan in de openbare school trachten te beletten. Dit mocht echter niet leiden tot materialisme of atheïsme. Deze schoolpolitiek heeft Antwerpen veel geld gekost. Van Rijswijck 's maatregelen om het onderwijsbudget in evenwicht te brengen, zoals o.a. de aanpassing van de weddeschalen van het onderwijzend personeel, de verhoging van de gronden personenbelasting, waren impopulair. Ook zijn „bijzondere leergangen", waar de leerkrachten hun kennis inzake de Franse letterkunde, wiskunde, Nederlands en gezondheidsleer zouden uitbreiden, waren weinig geliefd. Toch heeft het schepenambt zijn aanzien en welstand vergroot. Toen in aug. 1892 burgemeester L. de Wael overleed, was hij uiteindelijk de enige kandidaat voor de opvolging. Hij was slechts 39 jaar oud, afkomstig uit de kleine burgerij en de man van de Liberale Vlaamse Bond. Hij werd niettemin door de Liberale Associatie aanvaard en door de gemeenteraad met algemeenheid van stemmen verkozen.

In 1900 werd Van Rijswijck volksvertegenwoordiger, maar hij was toen al door ziekte ondermijnd. Zelden heeft hij in de kamer het woord gevoerd, en dan nog in het Frans en om de Antwerpse belangen te verdedigen. Wel legde hij de eed in het Nederlands af. Langs het weekblad De Kleine Gazet, spreekbuis van de in nov. 1880 door de jonge liberalen opgerichte Vlaamse vrijzinnige Vereniging, heeft Van Rijswijck voor het eerst sinds 1862 nieuw leven in het Antwerps liberaal flamingantisme geblazen. Met Max Rooses, Pol de Mont en H. Baelden zat hij in de redactie. Hij wenste een radicaler vernederlandsing van het middelbaar onderwijs dan de wet van 1883 voorzag, het Vlaams als voertaal in het lager onderwijs en in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en een rechtvaardiger toepassing van de bestaande taalwetten. De Vlaamse vrijzinnige Vereniging bestond naast de Liberale Vlaamse Bond en had Van Rijswijck als ondervoorzitter. Deze Vereniging Wilde de Vlaamse en vrijzinnige beginselen propageren en de verstandelijke en zedelijke ontwikkeling van het volk bevorderen door middel van de taal. Bovendien Wilde zij als een krachtdadige organisatie de liberale partij versterken. Zij liet zich zo weinig mogelijk in met de verkiezingspolitiek. Aan de leden werd gevraagd de kandidaten van de Liberale Vlaamse Bond te steunen. Er werden vijf bestendige commissies opgericht. Van Rijswijck leidde die van de Vlaamse belangen en grieven. Op taalgebied Wilde de Vereniging gelijkheid voor alle Belgen en zij was gekant tegen de verfransing. Uit het door Van Rijswijck opgestelde Manifest blijkt duidelijk de bekommernis voor de verheffing van de Vlaamse volksmassa. Verfransing betekende voor hem het katholiek houden van het volk, het klerikalisme beschouwde hij als een rem voor de volksontwikkeling. Door een degelijk onderwijs zou het volk zelf kunnen oordelen en zou het geloof geen toekomst meer hebben in Vlaanderen.

De verdeeldheid binnen de Liberale Vlaamse Bond en het bestaan van de Vlaamse vrijzinnige Vereniging duurden ruim twee jaar, waarna in de Bond de jonge radicalen de leiding namen. Op aandringen van Jan Van Rijswijck was van nov. 1885 af niemand in de Bond nog stemgerechtigd die in andere politieke organisaties stemrecht uitoefende. Als gevolg hiervan nam hij in dec. 1885 ontslag als bestuurslid van de Liberale Associatie en waarschijnlijk ook uit de Geuzenbond. In febr. 1889 werd hij ondervoorzitter van de Liberale Vlaamse Bond en in maart 1892 voorzitter ; dit bleef hij tot hij burgemeester werd.

In het begin van zijn carrière had hij zich met De Kleine Gazet radicaal opgesteld inzake de vernederlandsing van het officieel middelbaar onderwijs. Hiermee ging hij in tegen de opvattingen van Het Volksbelang van de Gentenaar Julius Vuylsteke. De strijd werd ook gevoerd in de schoot van het Willemsfonds. De Antwerpenaars legden zich uiteindelijk neer bij het veel gematigder Gentse standpunt. Omdat hij meende dat de Vlaamse beweging boven de partijstrijd had moeten verheven blijven, nam Van Rijswijck via De Kleine Gazet deel aan de huldiging van H. Conscience in 1881. Vanaf 1887 publiceerde hij ook in De Koophandel, samen met andere opstellers van De Kleine Gazet, om de schulden van dit failliete blad te helpen delgen. Sommige artikels verschenen terzelfdertijd in beide kranten. Zijn medewerking aan De Koophandel hield begin maart 1889 op, maar in sept. 1889 werd hij lid van het comité van toezicht.

Nog vóór de verkiezingsnederlaag van juni 1884 deed Van Rijswijck in de Antwerpse gemeenteraad al toegevingen inzake de toepassing van de wet van 1883 op de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs, door met anderen aan de “Ruche Wallonne” een Waalse afdeling in het atheneum te beloven. Toen de katholieke regering in 1884 de Antwerpse Rijksnormaalschool afschafte, werd ook Van Rijswijck als lesgever ontslagen. Zijn uitspraken werden van nu af meer antiklerikaal en antikatholiek. Als flamingant sloeg hij meer de richting in van Julius Vuylsteke, die hij kort daarvoor nog te gematigd had gevonden. Van samenwerking met de katholieken Wilde hij net als Vuylsteke niet meer weten. Maar toch pleitte hij op de stichtingsvergadering van de Bond van Vlaamse advocaten in 1885 voor de onmiddellijke oprichting van een Vlaamse Conferentie bij de balie van Antwerpen waarvan niet alleen liberale advocaten deel zouden uitmaken.

Nog in het begin van 1888 hadden Van Rijswijck, A. Cornette en Jan van Beers namens het Verbond der Vlaamse liberale Verenigingen het parlement verzocht om het wetsvoorstel-Coremans ter vernederlandsing van de rechtspraak zo vlug mogelijk te bespreken samen met het voorstel van de Gentse liberaal De Vigne, dat de processen-verbaal in het Nederlands wilde doen opstellen. In de Vlaamse Conferentie der balie van Gent was het essentiële punt in het voorstel-Coremans echter al verworpen, namelijk de verplichting voor de advocaten om in de taal van de beschuldigde te pleiten indien hij geen andere taal verstond. De meerderheid van de Conferentie aanvaardde die verplichting alleen voor het Openbaar Ministerie. Einde 1888 sloot Van Rijswijck zich als ondervoorzitter van de Antwerpse balie en ondervoorzitter van de Antwerpse balie en als lid van de Raad der Orde publiek aan bij dit verzet tegen het wetsvoorstel.

Sinds 1884 was zijn Vlaamse strijdbaarheid over haar hoogtepunt heen en na 1888 bleef er nog maar weinig van over. Op het Antwerpse stadhuis waren alle stukken bestemd voor het publiek tweetalig en in de gemeenteraad was het taalgebruik vrij. Van Rijswijck was wel voorstander van het wetsvoorstel-De Vriendt-Coremans, de latere Gelijkheidswet, maar hij had er toch kritiek op, omdat de wet de Walen zou gekwetst hebben. Op verschillende andere punten nam hij in 1898 en volgende jaren afstand van de flamingantische eisen. Zo vond hij wel dat de eerste opleiding in het leger in het Vlaams moest gebeuren, maar het Frans diende toch de enige beveltaal te zijn. Anders moesten én Vlaamse én Waalse regimenten worden gevormd, wat hij als nadelig beschouwde voor de eenheid van het land. In 1899 keurde hij tweemaal in het publiek de slogan “In Vlaanderen Vlaams" af. In de kamer sprak hij altijd Frans. In de Vlaamse afdeling van het Antwerpse atheneum liet hij bovendien toe dat de Nederlandstalige lessen in het Frans werden herhaald.

Samen met Pol de Mont, Max Rooses e.a. maakte Van Rijswijck deel uit van de eerste Hogeschoolcommissie (1896), die een praktische oplossing voor de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit moest zoeken. Hij steunde aanvankelijk het radicale voorstel-Mac Leod. Doch onder invloed van De Vigne en Paul Fredericq gaf hij op het einde van 1900 de voorkeur aan een tweetalig stelsel.

Van 1882 tot 1891 bleef Van Rijswijck bestuurslid van de Antwerpse afdeling van het Willemsfonds, waarvan hij in 1877 lid was geworden. In opdracht van deze vereniging stelde hij in 1878 een onderzoek in naar de toepassing van de taalwet van 1873 voor de Antwerpse rechtbanken. Tot 1893 was hij voorzitter van de Liberale Vlaamse Bond en van 1891 tot 1896 voorzitter van de Vlaamse Conferentie der balie van Antwerpen. Deze Vlaamse Conferentie werd in 1885 opgericht onder het voorzitterschap van de katholieke E. Coremans, terwijl Van Rijswijck ondervoorzitter werd. Coremans Wilde de onmiddellijke en volledige vernederlandsing van de rechtspraak, de minder radicale Van Rijswijck wilde de Vlaamse taal bemind maken en zo het verzet van de Franssprekende advocaten breken. Hij onderhield ook vriendschappelijke betrekkingen met de Conférence du Jeune Barreau.

Van Rijswijck trad geregeld, ter ondersteuning van zijn politieke carrière, als spreker op in de talrijke verenigingen waarvan hij lid was. Hij nam ook deel aan acht Nederlandse Taal- en Letterkundige Congressen, waar de beschaafde uitspraak en de zuiverheid van de Nederlandse taal tot zijn geliefkoosde onderwerpen behoorden.

Hoewel hij niet meer tot de actieve flaminganten kon gerekend worden, werd hij, toen in nov. 1897 het Algemeen Nederlands Verbond in drie takken elk met een hoofdbestuur werd opgesplitst, aangezocht om toe te treden tot het bestuur van de tak Vlaams-België en Frans-Vlaanderen. In mei 1899 werd hij om zijn prestigieuze naam benoemd tot bestuurslid van de Zuidnederlandse tak.

Van Rijswijck was verder oprecht begaan met het lot van de werkende klasse. Een oplossing voor het sociale vraagstuk diende volgens hem gezocht te worden door overleg en in het parlement, niet door geweld. Hij wees elke vorm van klassenstrijd van de hand. Hij bleef voor een groot deel kleinburgerlijk en paternalistisch ingesteld en hield vast aan het liberale standpunt inzake eigendom en persoonlijke vrijheid. Hij was tevreden met de afschaffing van de bepaling dat in geschillen tussen patroons en arbeiders de versie van eerstgenoemden moest geloofd worden. Van Rijswijck meende dat een uitbreiding van het stemrecht de sociale verhoudingen ten goede zou komen ; de schoolplicht diende echter aan het algemeen stemrecht voorafte gaan en het liberalisme moest een verplicht en kosteloos lager onderwijs voor jongens én meisjes waarborgen. Langs het bekwaamheidskiesrecht om Wilde hij geleidelijk en trapsgewijs het stemrecht veralgemenen. Van Rijswijck was dus gekant tegen het voorstel van de vooruitstrevende liberalen, die een onmiddellijke herziening van de grondwet nastreefden met toekenning van kiesrecht aan alle burgers die konden lezen en schrijven. Omdat hij geloofde dat het algemeen stemrecht voor de liberalen nadelig zou zijn, pleitte hij al in 1887 voor de evenredige vertegenwoordiging. Hij was ook voorstander van persoonlijke dienstplicht in een behoorlijk en democratisch ingericht leger.

Half maart 1906 nam Van Rijswijck om gezondheidsreden ontslag als volksvertegenwoordiger, in juni als burgemeester. Hij overleed op 23 sept. 1906 en werd burgerlijk begraven op kosten van de stad Antwerpen.

Met het democratisch drieluik, het algemeen stemrecht, verplicht onderwijs en persoonlijke dienstplicht, hing Van Rijswijck het programma van de progressieve liberalen aan. Hij sloot zich echter niet bij hen aan, omdat hij meende dat de eendracht in de liberale partij moest hersteld en behouden worden. Met die eendracht stond of viel zijn burgemeesterschap. Al vanaf 1884 bleek hij bereid tot principiële toegevingen aan zijn Franstalige Antwerpse partijgenoten, Wier steun hij nodig had voor zijn politieke loopbaan. Nochtans heeft hij een leidende rol gespeeld in de herleving van een strijdbaar liberaal flamingantisme te Antwerpen. Toen de militante Brusselse groep van J. Hoste en de gematigder Gentse groep van J. Vuylsteke tegenover elkaar kwamen te staan, sloot hij zich aan bij de Brusselse vlaamsgezinden. Maar ook de Antwerpse liberale flaminganten, en met hen Van Rijswijck, deden net als de Gentenaars belangrijke toegevingen aan de Franstaligen terwillle van de partijeenheid.

Van Rijswijck legde zich ook toe op de kennis van moderne talen. Hij beheerste het Nederlands en het Frans, hij sprak vloeiend Engels en Duits, hij studeerde Zweeds en sprak graag Spaans. In tegenstelling tot zijn vader was hij opvallend soepel. Hij had een innemende persoonlijkheid, hij was een pittig journalist en een uitstekend en welbespraakt redenaar met een vermaarde overtuigingskracht. I

In het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven te Antwerpen worden verschillende foto's van Van Rijswijck bewaard.


Voir aussi : DE SPIEGELEER C. - BEYERS-BELL J., Van Rijswijck, Jan , sur le site de la Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, (consultée le 7 mars 2026)