Accueil Séances Plénières Tables des matières Législation Biographies Documentation Note d’intention

Siffer Alphonse (1850-1941)

Portrait de Siffer Alphonse

Siffer Alphonse, Frédéric catholique

né en 1850 à Zomergem décédé en 1941 à Gand

Représentant 1912-1932 , élu par l'arrondissement de Gand-Eecloo

Biographie

(Extrait de Ons Volk (Ontwaakt), du 11 novembre 1911)

Een edele, katholieke Vlaming.

Wien het te doen was om den lof te maken van den heer Siffer, kon een breedvoerige omschrijving geven van deze drie hoedanigheden: edelgeaardheid, katholiek zijn, vlaamschheid, - hoedanigheden, die te onzent den man naar ons hart scheppen – en dan kon hij er bijvoegen : zoo is Alfons Siffer.

Hij zelf zoude echter de eerste wezen om die waarheid euvel op te nemen. Laten we dan alleen de feiten aan het woord : ook die hebben hun welsprekendheid.

In 1850 werd M. Siffer te Zomergem geboren en wie hem en zijn geboortestreek kent merkt al dadelijk, dat de schepen van Gent zijn Meetjeslandsche inboorlingschap nog niet loochenen kan. De klassen van middelbaar onderwijs trok hij door te Eekloo hij door het graduaat-examen, dat hij in zijn moedertaal afleggen wilde. De oudere van jaren weten hoeveel moed daartoe noodig was.

Daarop mocht hij in het gezellig en naarstig Leuvensch studentenleven zijn intree doen. Om zijn geliefhebber aan letterkunde Tijden Vlijt binnen. Van zijn werkzaamheid in het ernstig studentengenootschap kunnen de jaarverslagen en de Lettervruchten getuigenis afleggen. Gezondheidsredenen noopten hem dichter bij huis en de moederlijke zorgen te wonen… Gent lag naast de deur en daar zou de jonge Siffer zich toeleggen op het notariaat. Na een paar jaren was hij de gelukkige bezitter van het diploma en bleef hij gevestigd te Gent.

Een groep strijdlustige jonge mannen had zich rondom hem gevormd : daaronder waren de heren Schelstraete, Sels, de Marteau, Begerem, de gebroeders Haché, Lybaert, H. de Baets.

Waar Belgen bijeenkomen ontstaat een maatschappij, waar jongen flaminganten bijeenkomen ontstaat er een werking. Men leefde toen in den tijd, waarin de politieke weegschaal heen en weer schommelde: de noodzakelijkheid werd gevoeld het katholiek volksonderwijs te bevorderen en bij de volksklasse het openbaar katholiek leven te versterken. En de jongelingen richtten in 1876 den eersten Schoolpenning op voor de vrije scholen en veroverden voor de katholieken het recht… op straat te manifesteeren, wat hun meer dan één slag, gegeven en gekregen, kostte. Van den Schoolpenning was Siller de stichter, de verspreider het heele land door en, te Gent, de eerste voorzitter ; en nu, een maand geleden, huldigde heel het katholieke Gent den bestendigen voorzitter van den Schoolpenning, ter gelegenheid van zijn verheffing tot Commandeur van de Orde van den H. Gregorius en zijn bevordering tot Officier in de Leopoldsorde.

Bij de werking van het vrij onderwijs sloot zich aldra die van het Davidsfonds aan. Voor de verdere ontwikkeling van de katholieke bevolking moest gezorgd worden door het uitgeven van geschikte boeken en het inrichten van volksbibliotheken. De heer Siffer was er alweer bij om dat werk in te Gent te helpen tot stand brengen.

Lang is hij een van de ijverigste bestuursleden van het Gentsche Davidsfonds geweest en, toen laatst zijn zoon Wilfred hem als schatbewaarder opvolgde, werd den heer Siffer het voorzitterschap naast M. de Reu aangeboden. Van het eerste jaar af was hij eveneens afgevaardigde van Oost-Vlaanderen bij het hoofdbestuur, en wat hij daar, verdoken doch ijvervol en aanhoudend, verricht heeft zullen zijn medeleden wel kunnen schatten hebben, die hem tot algemeenen ondervoorzitter van het Davidsfonds„ aanstelden, naast kan. Am. Joos.

Ook als uitgever en boekhandelaar heeft de heer Siffer zich voor zijn volk verdienstelijk gemaakt. Wat al goeds voor de volksontwikkeling een boekhandelaar doen kan, is eenvoudig niet te bevroeden : althans wanneer hij niet op koopers wacht, maar ze aanlokt, hun leeslust opwekt, hun goeden smaak voldoet. Dat goed vermenigvuldigt wanneer die boekhandelaar daarenboven een uitgever is die, zooals Siffer, zich waagt aan het uitgeven van standaardwerken. Gedurende een heel tijdperk was Siffer de, uitgever der Vlaamsche schrijvers, en tal van Hollandsche werken deed hij hier ingang vinden.

Hij zelf stichtte en bestuurde het voornaamste katholiek vlaamsch tijdschrift Het Belfort, dat bij hem verscheen.

Daarin verscheen meer een bijdrage van hem. Want Siffer is ook een niet onverdienstelijk publicist. Zijn studie over de puinen van St. Baafsabdij, zijn letterkundige oudheidkundige en biographische studiën en artikels laten slechts een deel van het talent zien van dezen veelzijdig ontwikkelde, wiens voornaamste verdienste op dit gebied is, dat hij voortduren(l in aanvoeling blijft met de stroomingen van zijn tijd.

Intusschen bleef de heer Siffer een wakkere kampioen op politiek gebied, en toen in 1895 de E. V. moest toegepast worden voor de gemeentekiezing, werd hij door de katholieken afgevaardigd om hun belangen te verdedigen in den stadsraad.

Zijn eerste werk was er een vlaamschgezinde daad : met prof. de Ceuleneer, eischte hij dat de officiëele taal van den gemeenteraad het Nederlandsch zou wezen, en zij haalden den slag thuis.

Toen bij den val van het liberaal College, op 6 Januari 1909, moest uitgezien worden naar katholieke gemeenteraadsleden, die met de socialisten en, als zij wilden, de liberalen, een drievoudige College zouden uitmaken, viel de eerste keus op hem. Hij werd schelpen van Openbare Werken en Schoone Kunsten en waarnemend burgemeester der stad. In deze hoedanigheid heeft hij de katholiek en de vlaamsche zaak op meldenswaardige wijze gediend. De katholiek zaak, oor met daden te bewijzen dat ook katholieken een grootstad kunnen regeeren, wat de doctrinairs te Gent… verbaasd heeft en door kloekmoedig stand te houden te midden der verwoede aanvallen, die hij als leider te verduren had, maal ook luimig wist af te slaan.

Bij de gemeentekiezingen heeft de katholieke Gentsche bevolking in hem vertrouwen uitgesproken door hem aan de splits der katholieke kandidaten te brengen, ongeveer 200 stemmen boven den kandidaat, die hem naast is en 1000 boven den minst begunstigde. En in de bijgevoegde verkiezing voor de patroons. vonden zij gelegenheid hem, alweer met een aantal voorkeurstemmen, terug in den Gemeenteraad te zenden. Dien bijval heeft de heer Siffer grootendeels aan zijn vlaamsch gezindheid te danken. Als Vlamingen mogen wij hem gelukwenschen om de vervlaamsching die hij in zijn bureelen heeft ingevoerd, en voor alles om de stoutmoedigheid, waarmee hij, als waarnelllend burgemeester, bij de openingspleehtigheid van de hoogeschool, tot plezierige ontstichting van de franschgezinde professoren, in het Nederlandsch sprak en noch min noch meer opeischte dan onrecht onze taal haar plaats te zien bekleeden in het hooger onderwijs. Na de drie wetenschappelijke kongressen te Antwerpen, die de gemoedsatmosfeer gewekt. Hadden, was dit het signaal tot hel plots aanvangen van den geregelden strijd voor de vervlaamsching der Gentsxhe hoogeschool.

Door het spel der politiek zal de heer Siffer zijn schepenambt verliezen bij 't eindigen van dit jaar, hoewel hij, naast M. Zenner, de eenige katholiek is die tegenover 't kartel in den raad terugkomt... Maar de Vlamingen van het arrondissement Gent-Eekloo hebben al naar hem uitgezien : er zijn nog antdere middens waar een Siffer onze princiepen kan verdedigen.

Ons Volk.


(Extrait de La Libre Belgique, du 22 décembre 1938)

M. Siffer, échevin de Gand, doyen des échevins belges. Une belle carrière

Alphonse Siffer ! Nom bien connu dans les annales du parti catholique belge.

Aussi avons-nous jugé intéressant, à la veille de sa retraite, d'aller saluer ce vétéran de la bonne cause, toujours en fonction à Gand, comme premier échevin et échevin du port, malgré son grand âge.

C’est dans son cabinet de travail de la rue Savaen que le vaillant octogénaire a bien voulu nous recevoir.

Et l'échevin octogénaire - bientôt nonagénaire - consentit à évoquer pour nos Iecteurs l'époque lointaine de sa jeunesse.

M. Siffer, qui atteindra l’âge de 89 ans en mars prochain, est toujours très vaillant. L' amour du travail est demeuré sa grande loi durant toute sa vie. Et il songe pas encore à y déroger. II a pris l'habitude de travailler jusque fort tard dans la nuit. Et cela ne nuit nullement à sa santé.

- Je ne me sers, nous dit-il, que rarement de mes lunettes. Mes forces me permettraient facilement de poursuivre ma tâche, mai, voilà, il faut céder la place à de plus jeunes... Il y a vingt ans que j'aurais voulu renoncer à la vie politique. Si je suis resté, c'est sur les instances de mes amis.

Doué d’un tempérament combattif, M. Siffer a lutté pendant toute sa vie. Son activité débordante s'est manifestée dans tous les domaines où il y allait des intérêts de la cause qui lui était chère.

A l'époque où il était à l'Université de Gand, l fut un des premiers à collaborer au mouvement fondé en 1870 par Helleputte, mouvement qui ne visait qu'à affirmer les convictions chrétiennes des jeunes dans le milieu hostile qu'était à cette époque l'Université de Gand.

L'œuvre maîtresse de M. Siffer, son titre de gloire, pourrait-on dire, est la fondation de l'œuvre admirable du « Denier de écoles catholiques. » Il en devint le président aussi zélé qu'actif le 4 novembre 1876. C’est avec une certaine fierté qu'il évoque cette époque lointaine des luttes héroïques que les catholiques, traités en citoyens de rang inférieur, durent mener pour la défense de leurs droits. L'œuvre du « Denier » avait pour but d’opposer une barrière à l’enseignement athée qui, selon le mot de François Laurent, l'auteur de tant de textes monstrueux, ne visait qu'à « arracher des âmes à l'Eglise. » De quêtes furent organisées partout en ville pour nos écoles. Les ennemis de l’enseignement libre sortirent de leur tanière: il y eut des rencontres sanglantes. C’est dan l'œuvre du « Denier » que les jeunes firent leurs premières armes.

M. Siffer – qu’il nous permette d’ajouter ce détail – véritable personnification du « Denier », doué d’un beau talent d'orateur, s'en alla, partout en Flandre, semer la bonne parole. Une part du triomphe du 10 juin 1884 (élection du soulagement universel) lui est due !

Sa modestie ne nous reprochera pas sans doute pas non plus de rappeler ici le succès oratoire qu'il remporta en maintes circonstances : notamment à Gand, quand en 1879 il occupa la tribune après l'illustre Verspeyen et Mgr Cartuyvels. Mentionnons aussi le beau discours qu'il prononça à Gand lors de la rentrée triomphale des boîtes du « Denier », confisquées par la police locale sur ordre de M. Lippens, le sectaire bourgmestre de jadis.

Les troncs, restitués par ordonnance du Parquet, donnèrent l'occasion aux catholiques d'organiser un grand cortège en ville.

Avec conviction, M. Shiffer nous affirme qu'il a pris part à toutes les manifestations où il s'agissait de prouver la qualité de citoyen catholique. Il se trouva à la tête des membres du « Denier » lors des inoubliables bagarres du 7 septembre 1884 à Bruxelles : guet-apens odieux qui reste la honte du parti libéral.

- Ce jour, nous raconte M. l'échevin gantois, j'ai reçu bien des cops mais je n’ai pas compté ceux que j’ai rendu… »

M. Siffer y défendit vaillamment la bannière du « Denier », qui fut ramenée intacte à Gand.

De bonne heure, celui qui est aujourd'hui le doyen d'âge des échevins en fonction de Belgique, collabora au « Davidsfonds », l'œuvre flamande qui tend à développer dans un sens national et chrétien la culture intellectuelle du peuple flamand. Cette œuvre fut créée en souvenir du chanoine David, l'érudit et savant professeur de Louvain ; M. Siffer en fut un des fondateurs. Il fut également parmi les fondateurs t le premier président du « Snellaertskring », société littéraire gantoise. il s’agissait de défendre les idées catholiques. II fonda et rédigea plusieurs revues : notamment « Het Belfort » et le « Magasin littéraire. » Il témoigna la plus vive sympathie aux écrivains catholiques, tant d’expression française. Durant de longues armées son cabinet de travail fut le rendez-vous des jeunes littérateurs. Henri Bordeaux, l'écrivain bien connu de l’Académie Française - nous tenons à ajouter ce détail – a consacré un jour un article à M. Siffer dont il mit en relief « l'admirable conscience professionnelle. »

L'honorable échevin collabora à plusieurs journaux, rédigés dans une des deux langues. On lui doit une trentaine de brochures, consacrées à la littérature, à l'histoire, à l'archéologie, aux arts graphiques, etc. Son mémoire sur le Marché du Vendredi, place célèbre à Gand, est des plus intéressants.

La carrière politique de ce Gantois distingué commença à partir des élections communales de 1895, alors qu'il se relevait d'une grave maladie.

M. Siffer fit son entrée au Conseil communal en même temps que feu Gérard Cooreman. Il fut pami les membres les plus actifs, s'intéressant avant tout à tout ce qui avait trait à l'enseignement. Un rôle d'avant-plan lui était réservé dans l'administration de la ville. Au mois de décembre de l'année 1908, M. Braun, bourgmestre libéral, demanda au Conseil le vote d’une subvention pour une œuvre de repas scolaires en faveur des élèves des écoles officielles. Les catholiques et les socialistes en réclamaient le bénéfice pour tous les enfants, quelle que fût l'école qu'ils fréquentassent. Les libéraux déclaraient cette demande en option « avec des principes essentiels du libéralisme… » Mis en minorité, le Collège échevinal libéral listes, y compris M. Braun, démissionna. C’est alors que M. Siffer, avec l’aide d’échevins catholiques et socialistes, assuma pendant trois ans les fonctions de bourgmestre. La chute du Collège échevinal de Gand eut un retentissement considérable dans tout le pays. On doit rendre cet hommage à M. Siffer que pendant trois ans il a déployé dans l'administration de la ville un zèle et une compétence qui furent unanimement appréciés. Il devint le point de mire de la haine des libéraux ; cuirassé contre les injures de ses adversaires, l'honorable échevin ff. de bourgmestre, passa outre, faisant tout son devoir, mettant sans cesse en pratique sa devis : « Bien faire et laisser dire. » Le jour où il prit en main la direction de la ville, c’est fut une allégresse générale dans le parti catholique local.

Fin décembre 1911, les libéraux conclurent avec les socialistes l'alliance que l'on sait, en vue de la formation du Collège échevinal. Les compagnons d'Anseele adhérèrent à une combinaison qu'eux-mêmes avaient qualifiée six mois auparavant de « malhonnêteté politique. » Les catholiques furent donc exclus du Collège échevinal.

Le parti catholique gantois organisa alors une émouvante manifestation en l'honneur de celui qui, avec tant de distinction, avait présidé aux destinées de la Cité d'Artevelde.

Aux élections législatives de 1912, M. Siffer, redevenu simple conseiller communal, fut désigné à une majorité considérable comme candidat à la Chambre. Pendant vingt ans il a siégé au Parlement. Ici encore la question de l’enseignement retint toute son attention. L'ancien député de l'arrondissement Gand-Eecloo ne m'en voudra pas de rappeler ici le succès qu'il remporta à la Chambre quand le 21 octobre 1913 il y prononça son beau discours sur l’enseignement libre, discours cours qui lui valut les félicitations de l'illustre Woeste.

En 1921, quand fut instauré le régime la tripartite, M. Siffer rentra au Conseil échevinal. II eut le port dans ses attributions. La question des installations maritimes de Gand reste toujours à l'avant-plan de ses préoccupations. Quand il parle du port de Gand, auquel il a consacré une grande activité, la voix de l'échevin, ordinairement voilée, change de ton.

- Si le port de Gand. nous dit-il, connaît un recul, la faute en est au gouvernement, qui a suivi, notamment en matière charbonnière, une politique néfaste aux intérêts de la ville de Gand.

Poursuivant sa conversation. que nous écoutons avec le plus vit intérêt, l'octogénaire évoque d'autres souvenirs encore. A l'entendre parler de sa bonne ville de Gand - qui n'est en somme

que sa patrie d'adoption puisqu’il naquit à Somerghem - on a l’impression qu’il connaît la capitale de Flandres jusqu’en ses moindres détails. C’st toute la politique locale qu’il ébauche devant nous. Avec l’attrait qui rayonne de la conservation d’un vieillard - laudator temporis acti - il parle d'abondance du passé de la ville de Gand, des grands cortèges qui s'y déroulèrent, des grands voyages qu’il entreprit jadis à travers l’Europe.

En quittant M. Siffer, nous avons fait des vœux pour le repos bien mérité que prendra bientôt l doyn d’âge des échevins de Belgique.


(Extrait du Het Algemeen Nieuws, du 6 mars 1941)

In den gezegenden ouderdom van 91 jaar, is de h. Alfons Siffer te Gent overleden.

Hij was geruimen tijd lid van de Kamer van Volksvertegenswoordigers, gemeenteraadslid, schepene et dienstdoende burgmeester van de stad Gent, in welke functies hij zich hoogst verdienstelijk maakte. Hij was tevens beheerder van de N.V. Standaard-Boekhandel.

(…) Met den h. Alfons Siffer is een edel katholiek Vlaming hengegaan.

Wien het te doen was den lof te maken van den h. Siffer kon echt breedvoerige omschrijving geven van deze drie hoedanigheden: edelgeaardheid, katholiek zijn, Vlaamschheid, - hoedanigheden die te onzent den man naar het hart scheppen en dan kon hij er bij voegen : zoo was Alfons Siffer.

Hij zelf zou echter de eerste geweest zijn om die waarheid euvel op te nemen. Laten wij alleen de feiten aan het woord: ook die hebben hun welsprekendheid. On 1850 werd Siffer te Zomergem geboren en die hen in zijn geboortestreek kende, merkte al dadelijk, dat Alfons Siffer zijn meetjeslandsche inboorlingschap nog niet loochenen kon. De klassen van middelbaar onderwijs trok hij door te Eekloo en in het klein seminarie te St. Niklaas en met klank raakte hij door het graduaat examen dat hij in zijn moedertaal afleggen wilde. De ouderen van jaren weten hoeveel moed daartoe noodig was.

Daarop mocht hij in het gezellig en naarstig. Leuvensch studentenleven zijn intrede doen. Om zijn geliefhebber aan letterkunde en geschiedenis, kaapte men hem algauw in het bestuur van “Met tijd en vlijt” binnen. Van zijn werkzaamheid in het ernstig studentengenootschap kunnen de jaarverslagen en de lettervruchten getuigenis afleggen. Gezondheidsredenen noopten hem dichter bi] huis en de moederlijke zorgen te wonen . Gent lag naast de deur en daar zou de jongen zich toeleggen op het notariaat. Na een paar jaren was de gelukkige bezitter van het diploma en bleef hij gevestigd te Gent.

Een groepje strijdlustige mannen had zich rondom hem gevormd : Daaronder waren de hh. Schelstraete, Sels. de Marteau, Begerem. de gebroeders Haché, Lybaert, H De Baets.

Waar Belgen bijeen komen ontstaat een maatschappij, waar jonge Flaminganten bijeenkomen ontstaat er een werking. Men leefde toen in den tijd, waarin de politieke weegschaal heen en weer schommelde : de noodzakelijkheid werd gevoeld het katholiek volksonderwijs te bevorderen en bij de volksklasse het openbaar katholiek leven te versterken. En de jongelingen richtten in 1876 den eersten Schoolpenning op voor de vrije scholen en veroverden voor de katholieken net recht.. op straat te manifesteeren. wat hun meer dan een slag gegeven en gekregen kostte. Van den Schoolpenning was Siffer de stichter, de verspreider het heele land door en te Gent de eerste voorzitter: en destijds huldigde heel het katholieke Gent den bestendigen voorzitter van den Schoolpenning ter gelegenheid van zijn verheffing tot Commandeur van de Orde van den H. Gregorius en zijn bevordering tot officier in de Orde van Leopold.

Bij de werking van het vrije onderwijs sloot zich aldra die van het Davidsfonds aan. Voor de verdere ontwikkeling van de Katholieke bevolking moest gezorgd worden door het uitgeven van geschikte boekén en het inrichten van volksbibliotheken. De h. Siffér was er alweer bij om dat werk in 1875 te Gent te helpen tot stand brengen.

Lang is hij een van de ijverigste bestuursleden van het Gentsche Davidsfonds geweest en werd daarvan ook voorzitter.

Van het eerste jaar af was eveneens afgevaardigde van Oost-Vlanderen bij het hoofdbestuur, en wat hij daar verdoken doch ijvervol en aanhoudend verricht heeft zullen zijn medeleden wel kunnen schatten hebben, die hem tot algemeenen onder-voorzitter van het Davidsfonds aanstelden, naast Kan. Am. Joos.

Ook als uitgever en boekhandelaar heeft de h. Siffr zich voor zijn volk verdienstelijk gemaakt. Wat al goeds voor de volksontwikkeling een boekhandelaar doen kan, is eenvoudig niet te bevroeden, althans wanneer hij niet op koopers wacht, maar ze aanlokt, hun leeslust opwerkt, hun goeden smaak voldoet.

Die verdienste wordt nog grooter wanneer een boekhandelaar daarenboven een uitgever is die zooals Siffer zich waagde aan het uitgeven standaardwerken. Gedurende een heel tijdperk was Siffer de uitgever der Vlaamsche schrijvers, et tal van Hollandsche werken deed hij hier ingang vinde.

Hijzelf stichtte en bestuurde het voornaamste katholiek tijdschrift “Het Belfort”, dat bij hem verscheen.

Daarin verscheen meer dan een bijdrage van hem. Want Siffer was ook 'n niet onverdienstelijk publicist. Zijn studie over de puinen van de St. Baafs-abdij, zijn letterkundige, oudheidkundige en biografische studiën en artikels laten slechts een deel van het talent zien van dezen veelzijdigen ontwikkelde, wiens voornaamste verdienste op dit gebied was dat hij voortdurend in voeling bleef met de strooming van zijn tijd.

Intusschen bleekt de h. Siffer een machtig kampioen op politiek gebied, en toen in 1895 de E. V. moest toegepast worden voor de gemeenteverkiezing, werd hij door de katholieken afgevaardigd om hun belangen te verdedigen in den stadsraad.

Zijn eerste werk was er een Vlaamsengezinde daad : met professor de Ceuleneer eischte hij dat de officieele taal van den gemeenteraad het Nederlandsch wezen zou, en zij haalden den slag thuis.

Toen bij den val van het liberaal college, op 6 Januari 1909. moest uitgezien worden naar katholieke gemeenteraadsleden, die met de socialisten en, als ze wilden de liberalen. een drievoudig college zouden uitmaken, viel de eerste keus op hem. Hij werd schepen van Openbare Werken en Schoone Kunsten en waarnemend burgemeester der stad. In deze hoedanigheid heeft hij de katholieke en de Vlaamsche zaak op meldenswaardige wijze gediend.

De Katholieke zaak, door met daden te bewijzen dat ook Katholieken een grootstad kunnen regeeren, wat de doctrinairs te Gent verbaasd heeft, en door kloeken moed stand te houden te midden der verwoede aanvallen, die hij als leider te verduren had, maar ook luimig wist af te slaan.

De hr Siffer had zijn succes grootendeels aan zijn Vlaamschgezindheid te danken. Als Vlamingen mogen we hem gelukwenschen om de vervlaamsching die hij in zijn bureelen heeft gevoerd, en voor alles om de stoutmoedigheid, waarmee hij destijds als waarnemend burgmeester bij de openingsplechtigheid van de hoogeschool tot plezierige ontstichting van de franschgezinde professoren in het Nederlandsch sprak en noch min noch meer opeischte dan ons recht om onze taal haar plaats te zien bekleeden in het hooger onderwijs. Na de drie wetenschappelijke congressen te Antwerpen, die de gemoedatmosfeer gewekt hadden, was dit het signaal tot de plots aanvangen van den geregelden strijd voor de vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool.

Tijdens den oorlog 1914-1918 nam de heer Siffer het ambt van eerste schepen waar. Kort na den oorlog werd hij benoemd tot burgemeester. Dit ambt nam hij echter niet lang waar, want in 1921, toen de Havendiensten werden afgescheiden van Handel en Nijverheid, werd h. Siffer, die inmiddels weer volksvertegenwoordiger was geworden, schepen der Haven benoemd. In deze functie zou hij de volle maat van zijn bedrijvigheid ontplooien

Onder zijn bestuur werden bestendig verbeteringswerken uitgevoerd aan de haven. Dokken en darsen werden gegraven, gronden werden aangekocht om de haven te verruimen, kortom oud-schepen Siffer mag als de groote opbouwender der Gentsche haven worden beschouwd. Op 13 Juli 1930 werd de kroon op zijn werk gezet met de inhuldiging van de Zuider Darse, welke plaats had in aanwezigheid van Koning Albert en Koningin Elisabeth.

In 1931 stichtte de heer Siffer het Arbeidscomité voor de regeling der loon- en werkvoorwaarden, waardoor een einde werd gesteld aan de bestendige betwistingen tusschen werklieden en patroons en waarmede de stakingen practisch werden uitgeschakeld.

In 1932 de heer Siffer ontslag als volksvertegenwoordiger, om zich volledig aan zijn taak als schepen te wijden.

Tot in 1939 nam hij dit ambt waar, om, in de Nieuwjaarsmaand ontslag te nemen.

Op 28 October 1939 was hij het voorwerp van een huldebetoon en werd hij tevens aangesteld als eere-schepen der stad. In de havengebouwen werd een herdenkingsplaat te zijner eere ingehuldigd.

Zoo heeft de hr Siffer op meer dan één Katholiek-Vlaamssch gebied baanbrekend werk verricht, zoo staat op heel dit leven, ook op zijn parlementair leven, de stempel gedrukt der katholiek Vlaamsche persoonlijkheid.


(VELLE K., dans Nieuw biografisch woordenboek, Bruxelles, 1983, t. X, pp. 590 et suivantes)

SIFFER, Alfons, Frederik, drukker, uitgever, publicist en katholiek politicus.

Geboren op 21 maart 1850 te Zomergem in een gezin van 12 kinderen, als zoon van Pieter Theodoor Sieffer (1791-1870), handelaar, en diens tweede vrouw Eufenia Tierentyn (1807-1872) uit Ronsele. Alfons' vader was afkomstig uit Lutzenkirchen (Duitsl.) en is met de Pruisische legers ten tijde van de Napoleontische oorlogen in Zomergem verzeild geraakt. Alfons' broer Camille was advocaat bij het Hof van Beroep en gewezen gemeenteraadslid van Gent. Op 14 jan. 1879 huwde S. Marie Virginie Fierlefeyn (Gent 2 sept. 1852-20 febr. 1934), die hem drie kinderen zou schenken. Zijn echtgenote stamde uit een uitgevers- en drukkersfamilie. Siffer overleed te Gent op 3 maart 1941 en werd op 7 maart begraven op het Campo Santo te St.-Amandsberg.

Na zijn humaniorastudies aan het bisschoppelijke college te St.-Niklaas volgde Siffer les aan de Universiteit van Leuven. Hij studeerde er rechten maar moest zijn studies om gezondheidsredenen onderbreken. Hij voltooide zijn studies van kandidaat-notaris aan de Rijksuniversiteit te Gent (1876).

Na zijn huwelijk vestigde Siffer zich als drukker-uitgever en boekhandelaar te Gent. Samen met de kapitaalkrachtige halfzuster van zijn echtgenote, Sophie Léliart, stichtte hij een Naamloze Vennootschap die naast routinebestellingen (schoolboeken, jaarboeken van verenigingen) talloze luxepublikaties, vaktijdschriften en kranten verzorgde, voor binnenen buitenland. Het grootste deel van S. 's fortuin, dat hij had belegd in de mijnen van de Donetz, zou met de bolsjewistische revolutie in Rusland verloren gaan.

Siffer was drukker-uitgever van ondermeer de Dietsche Warande van Alberdingk Thym, in 1900 samengesmolten met het Belfort onder de naam Dietsche Warande en Belfort o.l.v. E. Vliebergh, van Le Bien Public, JongVlaanderen, de Verslagen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taalen Letterkunde, de Duikalmanack van H. Gezelle, het Katholiek Onderwijs, het Westvlaams Idioticon van De BO, de Taalstrijd e.d. Hij bleef tot 1914 lid van de redactieraad van de Dietsche Warande en Belfort maar vervreemdde volkomen van het tijdschrift wegens zijn drukke politieke loopbaan en vooral wegens de strubbelingen met Mej. Belpaire (1853-1948), die in 1902 de leiding van het tijdschrift had overgenomen en het voortaan liet drukken bij Buschmann te Antwerpen.

Siffer onderhield een intense briefwisseling met o.m. pastoor Hendrik Claeys (18381910), een populaire figuur uit het Oostvlaamse studentenmilieu en auteur van talrijke gelegenheidsgedichten, met Lodewijk de Vriese, Ferdinand van der Haegnen, Virginie Loveling, Charles Bergmans en de leden van de in 1877 opgerichte Snellaertkring (H. de Baets, K. Lybaert, J. Obrie, E. Fabri, H. Plancquaert en A. Bulynck). Op 17 nov. 1895 werd Siffer gekozen tot lid van de Gentse gemeenteraad (tot 1912 en van 1921 tot 1939), en op 6 jan. 1909 tot schepen van openbare werken (tot 7 jan. 1 912) en waarnemend burgemeester (tot 27 jan. 1911). Na W.O. I werd hij herkozen (24 april 1921) en benoemd tot eerste schepen, alsook tot schepen van de haven en openbare werken (2 juli 1921). Naar hem is het gelijknamige zeedok genoemd. Hij stelde zich in 1904 kandidaat voor de Provincieraad. Hij werd echter niet verkozen. In 1912 werd hij wel verkozen tot volksvertegenwoordiger voor het arr. Gent-Eeklo en hij bleef katholiek afgevaardigde in het parlement tot de verkiezingen van 27 nov. 1932. In 1930 werd hij tot ouderdomsdeken van de Kamer benoemd. Siffer schreef bijdragen in dicht en proza voor o.m. Lettervruchten van Met Tijd en Vlijt en het door hem gestichte en uitgegeven Het Belfort. In 1875 was hij medestichter-penningmeester van het Gentse Davidsfonds, van 1885 af alleen nog penningmeesters en van 1910 tot 1930 voorzitter. Zijn taak was vooral de middelen te verwerven voor de instandhouding van de volksbibliotheken, waarvan het Davidsfonds, in wedijver met het liberale Willemsfonds, de stad Gent ruim poogde te voorzien. Bij de heroprichting in 1878 van het algemeen Davidsfonds werd hij lid van het hoofdbestuur ; later werd hij ondervoorzitter (1910-1935). Toen bij de stichting van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taalen Letterkunde (1886) F. de Potter tot vast secretaris en H. Claeys tot lid werden benoemd, brachten Sitter en senator J. Lammers als redenaars aan beiden hulde tijdens een feestrede. S. was verder stichtend lid en voorzitter tot 1911 van de in 1876 te Gent opgerichte “Penning der Katholieke Scholen", lid van de katholieke vereniging Vincentius à Paolo, van de Associatie, een katholieke, grondwettelijke vereniging van het arrondissement Gent die zich bezighield met kiespropaganda, van de Kring voor God en Vaderland, de Ligue patriotique contre l'alcoolisme, de Anti-socialistische Liga e.a. Hij nam in 1891 deel aan de Vlaamse Katholieke Landdag. Toen S. op 12 sept. 191 1 tot officier in de Orde van Leopold werd verheven en tot commandeur in de orde van St.-Gregorius de Grote werd benoemd, werd een huldebetoon gehouden door F. Declercq van de krant Het Volk, A. Casier, voorzitter van de Gentse gemeenteraad, en Kan. De Bock, vicarisgeneraal.

In de hoedanigheid van waarnemend burgemeester (in 1909) hield hij bij de opening van het academisch jaar van de Gentse universiteit een redevoering in het Nederlands, hetgeen tot dan toe steeds in het Frans was gebeurd. AI was hij stadsmagistraat en al werd de nagestreefde taalhervorming van de Gentse hogeschool door velen voor de stad nadelig geacht, toch stond S. vooraan in de strijd voor de vervlaamsing van de Rijksuniversiteit. De geringe sympathie die hij in francofiele milieus genoot, belette hem niet dat hij na de Kamerontbinding als lijstaanvoerder van de Katholieke Partij uit de stemming kwam en door de kiezers met grote meerderheid als volksvertegenwoordiger meerderheid als volksvertegenwoordiger naar het parlement werd gezonden (1912-32). In het Parlement verdedigde hij het opnieuw ingediende wetsvoorstel Franck Van Cauwelaert, dat in 1913 op de achtergrond raakte wegens de sfeer van francofilie rond de Gentse wereldtentoonstelling. Tijdens de zitting van 23 mei 1913 nam Siffer deel aan de debatten over de taaltoestanden in het leger, waar hij n.a.v. een ingediend amendement in een hevige woordenwisseling raakte met Van Cauwelaert. Toen in 1914 de behandeling van de langverwachte taalwetten een gunstige eindstemming deed verhopen, kwam de oorlog tussenbeide. Intussen had Siffer als ondervoorzitter een leidende rol gespeeld bij de voorbereiding en uitvoering van de belangrijke Davidsfondscongressen van St.-Niklaas (1910) en Antwerpen (1912). Tijdens de oorlog distantieerde hij zich van de groep Jong-Vlaanderen rond het blad De Vlaamsche Post van L. Picard (1915), die een volledig zelfstandig Vlaanderen beoogde en zich verzette tegen het herstel van de Belgische staat. Ook ondertekende hij op 13 jan. 1916 het manifest Franck tegen de eenzijdige vervlaamsing van de R.U.G. onder von Bissing. Op 3 nov. 1918, enkele dagen voor de definitieve wapenstilstand, werd Siffer samen met E. Anseele, prof. Vercoullie en kan. De Baets aangeduid om het voorlopig bestuur van de stad waar te nemen en de ravitaillering en hulpverlening op gang te brengen.

Bij de naoorlogse verkiezingen werd het mandaat van Siffer telkens vernieuwd en hij hielp in 1919 samen met Vliebergh het Davidsfonds herleven. Tijdens de jubelvergaderingen te Lier in 1925 werd hij door prof Boon gehuldigd n.a.v. zijn 50jarig lidmaatschap van het hoofdbestuur. In 1930 nam hij ontslag als voorzitter van de afdeling Gent en in 1935 als eerste ondervoorzitter van het hoofdbestuur.