Ramaekers Jean, Hubert catholique
né en 1862 à Mechelen-aan-de-Maas décédé en 1930 à Zelem
Représentant 1913-1930 , élu par l'arrondissement de Hasselt(Extrait de Ons Volk (Ontwaakt), du 24 mai 1913)
Naar aanleiding van zijne aanstelling als volksvertegenwoordiger van het arrondissement Hasselt St-Truiden, als opvolger van den heer Portmans, eenige woorden over dezen zeer verdienstelijken Limburerschen Vlaming :
Jan Hubert Ramaekers zag het levenslicht te Mechelen aan de Maas, den 17en Juli 1862.
Hij studeerde in het St-Servaas College te Luik. Toen hij daar een tijd lang “zijn Fransch geleerd had" werd hij er het leven moede en... op een laten avond stond hij bij zijne ouders op de deur te hameren. Spoedig kreeg hij een baantje aan 't postkantoor te Mechelen.
Een jaar nadien zette hij zich opnieuw aan de studie, verwierf het diploma van onderwijzer, en oefende het onderwijzersambt uit tot in 1889, wanneer hij zijn ontslag nam om in het dagbladwezen te treden.
Hij werd hoofdopsteller van „Het Land" waarvan hij sedert 1887 briefwisselaar was. Tevens stond hij aan het hoofd der volksbladen “De Kleine Patriot” en “De Brusselaar".
In 1892 stichtte hij “VIaamsch en Vrij” waarin vele thans hoog befaamde letterkundigen en groote schrijvers hunne medewerking verleenden of hunne eerste krachten beproefden.
Noemen wij slechts : Em. Hiel, Stijn Streuvels, Teirlinck, Prosper Van Langendonck, De Geest, Lenaerts, Gustaaf Segers, Steven Prenau, Huysmans, Lambrechts, Stijns-Brons, enz. Kunstenaars als Lagae, Dillens, Aug. Van Hove, Lieven Hermans, Gevaert, Huberti, Peter Benoit, Tinel stonden bijdragen af.
't Was een schoone bloeitijd voor de Vlaamsche Kunst en de oogst is voor 't' Vlaamsche Leven geen begoocheling geweest.
In 1895, door bezigheden overmand, moest Ramaekers het bestuur van zijn tijdschrift in andere handen overgeven.
Ondertusschen was hij opsteller geworden van ”Het VIaamsche Volk” en van “Het Huisgezin” dat hem nog aan de dagbladwereld verbonden houdt.
Van jongsal was Ramaekers een vooruitstrevend Flamingant en hij is dit tot nog toe gebleven. Hij stichtte den “Laekenaar" , het eerste VIaamschgezind weekblad der koninklijke residentie. Steeds is hij een der meest gezaghebbende woordvoerders van de Vlaamsche partij in den Provincieraad van Limburg geweest.
Buiten zijne omvangrijke medewerking aan talrijke bladen en tijdschriften liet Jan Ramaekers verscheidene zijner letterkundige voortbrengselen boekvorm verschijnen.
Wij kennen van hem drie oorspronkelijke romans : “Tweelingbroeders”, “De Bruid van Vlaanderen”, “De Zwarte Peter”, - een reisverhaal ”Sianley’s Reizen”, “De Zwarte Peter", - een schets “Limburgsch Taaleigen" een paar geschiedkundige studiën “De Omwenteling van 1830”, “Een geschiedkundig overzicht der gemeente Zeelhem". Verder vertaalde hij uit het Engelsch, het Duitsch en het Italiaansch.
Lodewijk Opdebeeck, die zijn vriend Ramaekers in 1895 portretteerde in ”Vlaamsch en Vrij” geeft over zijn letterkundige werken de volgende beoordeling : ”Johan mag ongetwijfeld beschouwd worden als een der vruchtbaarste schrijvers in Zuid-Nederland. Hij hanteert de pen met een verbazend gemak, zijn schrijftrant is klaar en duidelijk, boeit in hooge mate ; hij bezit al de hoedanigheden voor wat men een goed volksschrijver noemt. Voor de Mr. B. Vlaamsche Kamergroep een groote aanwinst.
(Extrait de Ons Volk, du 19 octobre 1930) « Ons Volk » heeft destijds onder de rubriek « Vlaamsche Koppen » een waardeerend artikel over dezer onlangs overleden Limburgschen Vlaming gegeven.
Het past dat we het rijke leven van dezen sympathieken strijder nader belichten, want Jan Ramaekers heeft in zijn leven niet behoord tot de categorie menschen, die het er bij elke gelegenheid op aanleggen hun portret en hun eigen lof in de gazetten te doen opnemen.
Om verder een goed overzicht van het leven van dezen stoeren, vastberaden werker te krijgen, kunnen we niet beter doen dan te putten in de lijkrede die Minister Van Caeneghem bij de begrafenis uitsprak.
* * *
Jan Ramakers werd te Mechelen a/Maas geboren den 17 Juli 1862, studeerde aan het Sint Servatius college te Luik en naderhand aan de normaalafdeeling van het Koninklijk Atheneum te Hasselt, waar hij met schitterenden uitslag het onderwijzersdiploma behaalde. Van 1884 tot 1889 vervulde hij het ambt van onderwijzer aan de gemeenteschool te Zeelhem waar hij met groeienden bijval zijn vlugge pen en zijn wakker schrijverstalent wijdde aan de verwaarloosde of verlatene Vlaamsche journalistiek. Wij hooren hier even stil te staan. Wij hebben dezer dagen nog eens gebladerd in het flinke geïllustreerde weekblad « Vlaamsch en Vrij » waarvan Jan met Maurits Josson als beheerder in de jaren 1894 hoofdopsteller was, en we hebben nog eens kunnen vaststellen hoe degelijk dit geïllustreerde weekblad in elkaar zat.
Jan Ramaekers mag aanzien worden als een der pioniers die de Vlaamsche journalistiek op hooger peil bracht. En 't zal wel om deze groote verdiensten geweest zijn dat Jan Ramaekers vanaf het eerst uur tot aan zijn dood als lid van den beheerraad van « De Standaard » zetelde. Den 21 December 1901 werd de volksvriend tot gemeenteraadslid van Zeelhem verkozen en reeds den 9 Februari van het volgend jaar werd hij tot burgemeester van deze gemeente benoemd, ambt dat hij gedurende 28 jaren heeft waargenomen.
Den 5 Juni 1904 werd hij als provinciaal raadslid van Limburg verkozen : Reeds in 1908 stelde hem de provincieraad tot quaestor aan : hij fungeerde in die hoedanigheid tot 28 Mei 1913, toen hij als lid der Kamer van Volksvertegenwoordigers naar het Parlement werd gestuurd.
Het welsprekend en gulhartig woord van den sympathieken en geliefden volksmandataris werd in den provincieraad als in de wetgevende Kamers steeds met grtigheid aanhoord.
Zijn mandaatgevers zullen blijven getuigen dat hij immer ten dienste stond van volk en land.
Den 1 Juni 1926 werd de ijverige volksvertegenwoordiger tot secretaris van 's Lands Kamer verkozen.
In die dubbele bevoegdheid van volksmandataris en secretaris der Kamer heeft hij tot op het laatste oogenblik zijns levens onverpoosd en trouw zijn mandaat vervuld.
Dit is de bondige schets van zijn publieke loopbaan. Hoe vruchtbaar en gunstig deze ook gekend staat, toch staat zijn private loopbaan niet minder verdienstelijk in het dankbaar hart van het volk aangeschreven.
* * *
Van 1884 tot 1902 nam hij het ambt waar van schrijver van het Weldadigheidsbureel van Zeelhem ; hij bewees er uitstekende diensten aan de minvermogendén zijner medeburgers.
Spoedig ziet men hem de leiding nemen der Naamlooze Vennootschap « Gieterijen van Zeelhem, Gebroeders Cruls », en deze bloeiende inrichting zal, dank zijn kranig beheer, meer en meer uitbreiding nemen.
Jarenlang bekleedde hij het ambt van voorzitter der gewestelijke credietmaatschappij van Werkmanswoningen, en, men kan thans getuigen, dat hij, op dat gebied in Limburg een baanbreker is geweest.
Als medewerker en stichter van volks- en vakonderwijs werd hij de onvermoeibare beschermer der Limburgsche vakscholen : de opbloei van het beroepsonderwijs is hem veel verschuldigd.
Tijdens den oorlog heeft hij zich getoond als de trooster, de helper en de aanmoediger van zijn verbannen medeburgers in Frankrijk en de grootmoedige beschermer van « zijn jongens », onze strijdende, lijdende en stervende soldaten.
Van 1916 tot 1919 nam hij het Voorzitterschap waar van het Verbond der Nationale Comiteiten van onderstand aan de Belgische Vluchtelingen, in de arrondissementen Rouen, Neufchatel en Yvetot in Frankrijk.
In Januari 1915 werd hij lid der Akademie van Wetenschappen en Schoone Kunsten van Rouen.
In 1915-16 fungeerde hij als voorzitter der wervingscommissie; en van 1917 tot 1919 als voorzitter van den keurraad belast met het afnemen van examens van onderwijzers en onderwijzeressen.
Hij werd regeeringsafgevaardigde bij de Belg. Meisjesnormaalschool te Rouen en tevens voorzitter van de door de Belg. Regeering aangenomen scholen in Normandië.
Hem werd eveneens het eervol ambt opgedragen van secretaris-generaal van het « Fonds der Belg. Soldaten. » Deze lange reeks van vereerende ambten mogen hem als een blijvende eerekroon van oorlogsverdienste aangerekend worden.
Na den oorlog hernam hij niet alleen zijn publieke ambten van Burgemeester en Volksvertegenwoordiger van het arrondissement Hasselt-St. Truiden, maar ook zijn taak van Volksweldoener : hij stelde zich opnieuw vooruit als de heraut van volksverheffing en onderlingen bijstand.
Hij voegde zelfs bij zijn menigvuldige werkposten dezen van Lid van den Hoogen Raad van het Nationaal werk voor Kinderbescherming.
* * *
Voor Zeelhem heeft hij ontzettend veel gedaan.
In 1903 deed hij den steenweg van Zeelhem naar Meldert aanleggen. Dit grootsch werk, waardoor de twee aanpalende gemeenten werden verbonden, heeft machtig bijgedragen tot den bloei en de uitbreiding van Zeelhem.
In 1906 werden de prachtige schoollokalen opgebouwd.
Dan stichtte hij het Weezenhuis Vincentius à Paulo, waar de weezen van Limburg een moederlijken tehuis vinden.
Van gezond, deftig tijdverdrijf hield de betreurde afgestorvene. Hij stichtte de fanfaren « De Boeren van Zeelhem » en bleef onverpoosd den gevierden EereVoorzitter dezer inrichting.
De verfraaiïng van Zeelhem hield hij vooral in het oog. De wegen werden in prachtige lanen herschapen, zoodat de vreemdeling Zeelhem het boomendorp noemt.
Heidegronden werden ontgonnen en in weelderige bosschen herschapen, en indien Zeelhem zich thans verheugen mag in het bezit van zoovele heerlijke hectaren in volle opbrengst, dan heeft men dit te danken aan het scherpe vooruitzicht van den afgestorven Burgemeester.
Aan hem was het te danken dat Zeelhem, een van de eerste dorpen in Limburg, van de weldaden van het electrisch licht en de drijfkracht mocht genieten.
De sociale werken kenden onder zijn bestuur een immer stijgenden bloei. Vermelden wij slechts: « Hulp in Nood », maatschappij van Onderlingen Bijstand, die in 1904 67 leden telde ; de « Biekorf », lijfrentkas, die in 1904 reeds 81 leden telde ; « het Bietje », schoolmutualiteit voor jongens ; «het Miertje » schoolmutualiteit, voor meisjes; de bloeiende Spaaren Leengilde ; de Veeverzekering aangesloten bij de Herwerzekering van Limburg ; de « Bieboeren der Kempen » die voor doel had de bieënteelt te bevordéren.
Zijn gansche levensbetrachting was edel en onbaatzuchtig. Zij stond in vrome blijheid en tintelende geestdrift voortdurend ten dienste van het goede, van het ware, van het schoone.
Op een zeer uitgestrekt arbeidsveld heeft deze onvermoeibare volkswekker met zijn weelderige eenvoudige talenten geestdriftig gewoekerd, onverpoosd geploegd, gezaaid en geoogst met en om zijn volk dat hij innig liefhad.
En hij heeft dit gedaan met een grootmoedigheid, een rondborstigheid, een gulhartigheid en een gemoedelijkheid zooals men bij nog weinig menschen uit den tegenwoordigen tijd aantreft.
Door Paus en Koning werden hem verscheidene eereteekens toegekend : Ridder in de Orde van St. Gregorius den Groote ; het Kruis « Pro Ecclesia et Pontifice » ; Commandeur in de Leopoldsorde ; het Burgerlijk Kruis van 1e klasse 1914-18 ! de Herinneringsmedalie van Leopold II ; de Eereteekens van 1e klasse, Landbouw, Vooruitzicht en Onderlingen Bijstand.
Voir aussi : CARLIER M., Ramaekers, Johansur le site de la Digitale encyclopedie van de vlaamse beweging (consulté le 10 janvier 2026)