Moyersoen Romain, Jean, Marie catholique
né en 1870 à Ixelles décédé en 1967 à Bruxelles
Ministre (industrie, travail et affaires économiques) entre 1921 et 1925 Représentant 1910-1919 , élu par l'arrondissement de Alost(Extrait du Soir, du 22 avril 1967)
Vendredi matin, le baron Romain Moyersoen, ministre d'Etat et ancien président du Sénat, est mort à l’âge de 96 ans.
Le défunt fut une principales figure de la vie politique belge de la première moitié du siècle. Son activité, qui a couvert les domaines communal, provincial et national, fut particulièrement tournée vers les problèmes de l'assurance-maladie, de la construction de logements à bon marché et du développement de l’enseignement technique.
Né à Alost, le 2 septembre 1870, fit son droit à l'Université de Louvain et obtint un diplôme de licencié à l'Ecole des sciences politiques et sociales.
Il entre à la Chambre comme suppléant le 2 août 1910.
Le 7 décembre 1921, il était élu sénateur et, le 16 décembre suivant, il devenait ministre de l'Industrie et du Travail dans le ministère Theunis. Il fut l'initiateur de la loi sur les pensions et de celle sur les primes à la construction d'habitations à bon marché.
Ministre des Affaires économiques dans le troisième cabinet Theunis (1924-1925), M. Moyersoen exerça ensuite, de 1925 à 1932, les fonctions de bourgmestre d'Alost et lança les' premiers grands travaux d'urbanisation de la ville.
Le 1er juillet 1936 il était élu président du Sénat. En reconnaissance de ses nombreux mérites, le Roi lui décernait, en avril 1939, le titre de baron.
Chargé après la Libération de former le premier gouvernement du prince-régent, le baron Moyersoen ne réussit pas dans cette mission. En 1949, le prince-régent le nomma ministre d’Etat.
M. Moyersoen n'était plus sénateur depuis 1949.
(Extrait du Standaard, du 22 avril 1967)
Baron Romain Moyersoen (96), minister van staat en voormalig vorzitter van de senaat is vrijdagochtend overleden. Hij was een van de voornaamste figuren uit het politieke leven van de eerste helft van deze eeuw.
Zijn werking strekte zich uit over het gemeentelijk, provinciaal en landelijk vlak en was biezonder gericht op de vraagstukken die verband houden met de ziekteverzekering, de bouw van goedkope woningen en de ontwikkeling van het technisch onderwijs. Hij werd op 2 september 1870 te Aalst geboren, studeerde rechten aan de Leuvense universiteit en behaalde zijn diploma -van licentiaat aan de school voor politieke en sociale wetenschappen. Vrij vroeg werd hij met de sociale problemen uit zijn streek gekonfronteerd. In 1889 werd hij stichter van de “Maatschappij voor goedkope woningen” in de streek van Aalst, en nam hij deel aan de oprichting van verscheidene ziekteverzekeringskassen.
Sedert 1895 was hij te Aalst gevestigd als advokaat. Op 6 januari 1896 werd hij gemeenteraadslid en van 1908 tot 1921 was hij schepen van financiën. Van 1900 tot 1908 was hij provincieraadslid voor Oost-Vlaanderen en op 2 augustus 1910 werd hij als plaatsvervanger lid van de kamer. Op 7 december 1921werd hij verkozen tot senator en. op 16 december van dat jaar werd hij in het kabinet Theums minister van Nijverheid en Arbeid. Hij nam het initiatief tot de wet op de pensioenen en die op de premies voor het bouwen van goedkope woningen.
Hij werd minister van ekonomische zaken in het derde kabinet Theunis (1924-1925) en was van 1925 tot 1932 burgemeester van Aalst waar hij de eerste grote stedebouwkundige werken deed uitvoeren. Op 1 juli 1936 werd hij voorzitter van de senaat. Als erkenning van zijn grote verdiensten verleende de koning hem in april 1931 de titel van baron. Tijdens de jongste oorlog verbleef baron Moyersoen in België en uit naam van de senaat protesteerde hij samen met de heren Pholien, Rolin en Dierckx tegen het wegvoeren van arbei ders, met het gevolg dat de bezetter hem verbood nog naar Brussel te gaan. Op 1 september 1944 ontsnapten zijn zoon en hijzelf op nippertje aan de opsporingen van de Gestapo die hem gevangen wou nemen.
Na de bevrijding kreeg hij opdracht de eerste regering onder de prins-regent te vormen doch slaagde er niet in. In 1949 benoemde de prins-regent hem tot minister van staat. Sedert 1949 was hij geen senator meer maar nog verscheidene jaren was hij bedrijvig in het CVP-studiecentrum. In 1960, teen hij 90 jaar was, staakte hij zijn aktief politiek leven maar volgde nog met belangstelling de politieke gebeurtenissen.
(CORDEMANS M., Baron Romain Moyersoen, dans Nationaal Biografisch Woordenboek ; Bruxelles, 1970, vol. , IV, col. 590 et suivantes)
MOYERSOEN , baron Romain Jean Marie, staatsman.
Geboren te Aalst op 2 sept. 1870 ; aldaar overleden op 21 april 1967. Zoon van Jan-Baptist, zakenman, en van Eugenie van den Hende. Moyersoen huwde met Aline Liénart bij wie hij tien kinderen had.
Moyersoen genoot middelbaar onderwijs op het college der Jezuieten te Aalst. Hij kreeg er een uitstekende klassieke vorming maar de paters Ieerden hem geen Nederlands. Hij moest zich daarin later bekwamen. In 1888 volgde hij de eerste kandidatuur rechten aan het Collège-Notre-Dame te Namen om in 1889 zijn studies in de rechten aan de universiteit te Leuven verder te zetten. Daar was hij een der geestdriftige sociaal-gerichte jongeren die, bij een bezoek van graaf de Mun aan de universiteit, de paarden van diens koets hielp uitspannen om deze Franse sociale leider in triomf door de straten te trekken.
Als een der eerste studenten die de leergangen van de “Ecole des Sciences politiques et sociales de Louvain” volgden, publiceerde hij nog voor hij de graad van licentiaat behaald had, op 11 mei 1895, een verhandeling met als titel “Du régime légal de I'enseignement primaire en Hollande". Hierin bestudeerde hij de plaats die het vrij onderwijs er naast het officieel onderwijs bekleedde. Deze verhandeling was tevens het tweede werk van de sindsdien lang uitgegroeide reeks uitgaven dezer school.
Na zijn promotie te Leuven in 1895 en een stage bij Charles Woeste te Brussel, vestigde hij zich als advocaat te Aalst. Hij werd er op 6 jan. 1896 tot gemeenteraadslid verkozen en op 6 jan. 1908 tot schepen van financiën aangesteld. Hij oefende dit ambt uit tot 18 dec. 1921. Intussen was hij in 1900 lid geworden van de Oostvlaamse provincieraad. Hij maakte deel uit van deze vergadering tot 2 aug. 1908. Op 2 aug. 1910 werd hij, tengevolge van het overlijden van volksvertegenwoordiger Pieraert, als diens opvolger, lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Daar trad hij herhaaldelijk op als verslaggever in verband met wetsontwerpen van sociale, economische en financiële aard, sociale verzekeringen, woningbouw en onderwijs.
In 1912 maakte hij deel uit van de commissie ingesteld door minister Levie, om de oprichting uit te werken van een nationale maatschappij voor goedkope woningen, die op 11 okt. 1919 tot stand kwam. Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog nam Moyersoen, samen met schepen de Wolf, het bestuur van de stad waar, werd herhaaldelijk als gijzelaar opgebracht en week in Okt. 1914, na het bombardement en de ontruiming van Aalst, voor een zeer korte tijd uit naar Engeland. Dadelijk, na zijn terugkeer begon hij met openbare werken en probeerde de werkloosheid te bestrijden. Hij gaf zijn persoonlijk fortuin in pand om het de stad mogelijk te maken de algemene nood te lenigen.
Na de oorlog werd Moyersoen aangesteld als algemeen voorzitter van de Landsbond der Kristelijke mutualiteiten van België. Op 16 nov. 1919 stond Moyersoen zijn tweede plaats op de katholieke kamerIijst af aan de kristen-demokraat Petrus van Schuylenbergh en werd, als derde kandidaat, niet herkozen. Van 7 dec. 1921 tot 1936 was hij provinciaal senator, van 30 juni 1936 tot 1946 en van 24 juli 1947 tot 4 juni 1950 gecoöpteerd senator. Van 16 dec. 1921 tot 11 maart 1924 maakte hij als minister van nijverheid en arbeid deel uit van het ministerie-Theunis. Als zodanig legde hij wetsontwerpen ter tafel in verband met de werkrechtersraden, de mutualiteiten en de ouderdomspensioenen. Bij kon. besluit van 14 okt. 1922 stelde hij het premiestelsel in tot bevordering van de bouw van sociale woningen, dat, 25 jaar later, uitgroeien zou tot de wet-de-Taeye. Als voorzitter van de maatschappij voor goedkope woningen, liet hij te Aalst meer dan 1.200 woningen bouwen. Van 10 sept. 1924 tot 17 juni 1925 maakte Moyersoen als minister van economische zaken deel uit van het derde ministerie-Theunis. Van aug. 1925 tot april 1932 trad hij op als burgemeester van Aalst. Op 1 juli 1936 werd hij verkozen tot voorzitter van de Senaat. Hij bekleedde dit ambt tot 26 april 1939.
Tijdens de tweede wereldoorlog bleef hij bij zijn volk, tekende mede verzet aan tegen de wegvoering van arbeiders en kreeg een verplichte verblijfplaats opgelegd vanwege de bezetter die, op 1 sept. 1944 vruchteloos poogde hem aan te houden. Na de bevrijding werd hij aangezocht de eerste regering van de prins-regent samen te stellen, maar stuitte op het verzet van de socialisten en de uittredende ministers. Tot 1949 trad hij op als leider van de rechterzijde van de Senaat en bevestigde de trouw van zijn partij aan koning Leopold III. De prins-regent benoemde hem op 12 febr. 1946 tot minister van Staat. Koning Leopold III verhief zijn familie op 8 aug. 1950 in de adelstand en verleende hem de titel van baron. Bij kon. besluit van 9 juni 1964 werd de titel overdraagbaar op de oudste zoon.
Baron Moyersoen straalde een ingeboren voornaamheid uit. Zijn kalm betoog, hoofs wederwoord met humor gekruid (op een begrafenis vroeg men hem naar het geheim van zijn hoge leeftijd en hij antwoordde dat hij steeds trachtte een beleefd man te zijn, die de anderen liet voorgaan), zijn onpartijdig optreden en beginselvastheid sierden hem als staatsman in dienst van zijn land. Hij heeft zichzelf nooit flamingant, demokraat of progressist genoemd. Maar op het ogenblik dat zijn tijd en het sociaal milieu waartoe hij behoorde al die gedachten verwierp, leverde hij de nodige inspanning om zijn volk metterdaad te dienen. Hij was geen theoreticus, maar hij steunde de drie Van's in 1919, stichtte mutualiteiten en zorgde voor sociale woningen ten gerieve van duizenden gegadigden Moyersoen was een bouwer aan de toekomst van zijn land.