Accueil Séances Plénières Tables des matières Législation Biographies Documentation Note d’intention

Fonteyne Florimond (1856-1923)

Portrait de Fonteyne Florimond

Fonteyne Florimond, Alphonse daensiste

né en 1856 à Houtem décédé en 1923 à Bougie (Algérie)

Représentant 1912-1919 , élu par l'arrondissement de Bruges

Biographie

(Extrait du Soir, du 26 février 1912)

Hier, dans toutes les églises du diocèse de Bruges, il a été donné lecture d'un mandement de l'évêque de Bruges prémunissant les chrétiens contre l'attitude du « prêtre apostat » Florimond Fonteyne. La lettre déclare que « ce malheureux est indigne de porter encore la robe de prêtre et que l'usage des SS. Sacrements lui est interdit. »


(Extrait de La Patrie [de Bruges], du 26 février 1912)

Hier, a été lue, au prône, la lettre pastorale suivante :

“Gustavus-Josephus Waffelaert, Doctor in de godheid, door de berinhertigheid Gods en de genade van den H. Apostolijken Stoel, Bisschop van Brugge,aan de Geestelijken en de Geloovigen, zaligheid en zegen :

“Zeer Lieve Broeders, Onlangs hebben Wij u in 't algemeen voorgehouden hoe noodzakelijk het is, hedendaags meer dan ooit, onze Moeder de H. Kerk, d. i. onze geestelijke Overheid, met allen eerbied, onderdanigheid en liefde aan te kleven, willen wij ons tegen het verderf van dwaalleer en zedeloosheid behoeden, en de grootste onheilen van ons vaderland afweren.

“Nu vinden Wij ons verplicht deze onderrichting nader te bepalen, om u te waarschuwen tegen een bijzonder gevaar, dat de godsdienstige gevoelens en den christelijken zin van sommige min verlichte geloovigen bedreigt.

“Het is u niet onbekend hoe een afvallige priester, met naam Florimond Fonteyne, na herhaalde vaderlijke vermaningen, Ons gedwongen heeft hem met zware geestelijke straffen te treffen, verhopende hem aldus tot inkeer te brengen.

“Sedert dien hebben Wil onophoudelijk voor hem gebeden, en met langmoedigheid hem tot beternis verwacht, allen ondank, ja soms hoon en smaad van hem stilzwijgend verdragende.

“Hij bleef, helaas, hardnekkig in de boosheid, hoewel ook door Zijne Heiligheid den Paus afgekeurd, en onlangs werd hij eene ware ergernis voor een deel onzer kudde, ze pogende door woord en schrift en gansch zijne handelwijze te verleiden en aan den eerbied onderdanigheid, de H. Kerk verschuldigd, te onttrekken.

“Daarom, Z.L.B., mochten Wij niet langer meer zwijgen, en komen Wij u openlijk verklaren dat die ongelukkige onweerdig is nog het priesterkleed te dragen, en het gebruik der HH. Sacramenten hem ontzegd is. Tevens vermanen Wij u dat de lezing zijner schriften, namelijk het weekblad D Volkseeuw, aan alle christene geloovigen verboden is, en dat alwie hem in zijne weerspannigheid ondérsteunt grootelijks plichtig is voor God.

“Deze waarschuwing zal van den predikstoel afgelezen worden, onder al de Missen, op den

eersten Zondag van den Vaten.

“Gegeven te Brugge, den 20 Februari 1912.

“Gustavus Josephus, Bisschop van Brugge.

“Op bevel Zijner Doorl. Hoogw., H. Mahieu Kan-Secret.”

* * *

Voici la traduction de cet important document :

« Nos très chers Frères,

« Récemment, Nous vous avons exposé en général la nécessité aujourd'hui plus urgente que jamais, de nous attacher à notre Mère la Sainte Eglise, c'est-à-dire à notre Autorité Spirituelle, par tout notre respect, notre soumission et notre amour, si nous voulons nous préserver de la perversion qu'amènent l'erreur et l'immoralité et détourner de notre patrie les plus grands maux.

« Maintenant, Nous Nous trouvons obligés de déterminer davantage cette instruction, afin de vous prémunir contre un danger spécial, qui menace les sentiments religieux et le sens chrétien de quelques fidèles moins éclairés.

« Il ne vous est pas inconnu qu'un prêtre déchu, nommé Florimond Fonteyne, après des admonestations paternelles répétées, Nous a forcé de lui infliger de graves peines canoniques, dans l'espoir de le ramener ainsi à résipiscence.

« Depuis, Nous n'avons cessé de prier pour lui, et avec patience. Nous avons attendu qu’il s'amende, supportant en silence toute ingratitude de sa part, oui, même parfois l'outrage et l'opprobre.

« Il demeura, hélas, obstiné dans le mal, quoique cependant il eut été désavoué par S. S. le Pape, et récemment il devint un véritable objet de scandale pour une partie de notre troupeau, s'efforçant par la parole, par la plume et par sa conduite entière de le séduire, et de lui enlever le respect et l'obéissance dus à la Sainte Eglise.

« C’est pourquoi, N. T. C. F., Nous ne pouvions Nous taire plus longtemps, et Nous vous déclarons publiquement que ce malheureux est indigne de porter désormais l'habit ecclésiastique et que l'usage des Saints Sacrements lui est interdit. En même temps, Nous vous avertissons que la lecture de ses écrits et nommément de la feuille hebdomadaire De Volkseeuw, est détendue à tous les fidèles, et que quiconque le soutient dans son opiniâtreté est gravement coupable devant Dieu.

« Et sera le présent avertissement lu en chaire, à toutes les messes, le premier dimanche du Carême.

« Donné à Bruges, le 20 février 1912.

« Gustave-Joseph, évêque de Bruges.

« Par ordonnance de Mgr l'Evêque, J. MAHIEU, Chan. Secrét.


(Extrait du De Volkseeuw,du 3 mars 1912)

Open brief aan Zijne Hoogweerdigheid den Bisschop van Brugge

MONSEIGNEUR,

Gij hebt dus goed gevonden en noodzakelijk van tegen mii, volgens UEd. een afvalligen priester, met naam Florimond Fonteyne. een brief ken van afkeuring in de kerken en openbare bidplaatsen, door uwe geestelijkheid te doen aflezen.

MONSEIGNEUR,

Met al den eerbied dien ik UEd. schuldig ben, geloof ik dat gij voor doel hebt, van met uw briefken, mij te verbitteren, mij op te hitsen, verhopende, dat ik, in het vuur der verdediging van onze geliefde volkspartij, UEd. eenige harde woorden zou naar 't hoofd slingeren, om dan met die woorden te kunnen schermen voor het geloovige volk en uitroepen : ziet, hoe dat zekere Florimond Fonteyne, Zune doorluchtige Hoogweerdigheid den Bisschop van Brugge aanvalt !

Gij zult mij toelaten, Monseigneur, van te durven zeggen, dat die briefkes en de ophitsingen van sommige uwer geestelijken, om ons te verbitteren, en ware het maar mogelijk, zooals zij het wenschen, op den dool te brengen, dat zulke wapens zoeken maar weinig eerlijk, en in alle geval, ver van ridderlijk is !

* * *

Monseigneur, misschien spijtig genoeg voor UEd. maar gij zult dat innig genoegen “hemelsch volgens u”, maar verre van “hemelsch” volgens mij, niet mogen smaken.

Wij zullen stil blijven, bedaard en deftig, want wij zijn overtuigd, tot in het diepste van onze ziel, dat wij strijden voor waarheid en rechtveerdigheid en die rechtzinnig en rechtschapen steunt op rechtveerdigheid en waarheid, mag gerust zijnen weg gaan.

MONSEIGNEUR,

Aangezien dat Gij, dat ”briefke” hebt doen aflezen, openbaar, in aleo kerken, alwaar alle beschuldiging toegelaten is en nog meer, en geen enkel woord verdediging, het zal ons toegelaten zijn eerbiediglijk ja, maar toch vrij en vrank UEd. een antwoord te sturen en dat in onze Volkseeuw, het eenige, nederige wapen, onzer arme volkspartij.

MONSEIGNEUR,

Gij zult misschien het kwalijk nemen, dat wij maar spreken van een briefke dat in de kerken is afgelezen ? Neemt het niet kwalijk, want waarlijk, geheel uw herderlijke brief met al wat er in staat, woord voor woord, is reeds honderde keeren gedrukt geweest, sedert weken en weken, sedert maanden en maanden in al de politieke spotbladen van Stock en Cie

Verschooning, Monseigneur, maar uw briefke schijnt eenvoudiglijk 't kort begrip te zijn van alles wat tegen ons, tot nu toe, door uwen staatsecretaris Stock is uitgekraamd. Natuurlijk gij zult bij die woorden in verontweerdiging opschieten want wij mogen uwe Doorluchtige Hoogweerdigheid niets zeggen : dat is ook al opstand tegen de overheid.

MONSEIGNEUR,

Ik neem dus de eerbiedige vrijheid de bijzonderste beschuldigingen tegen ons gedaan te bespreken.

En waarom niet, Monseigneur ?

Gij zijt Bisschop ja, en ik ben maar eenvoudige, arme priester, maar als priester en eerlijk man, Monseigneur, mijne eer. voor mij, is de uwe waard, en het briefke dat gij in de kerken komt te doen aflezen, is tegenover mij : “Openbare eerrooverij” ; en daarom heb ik het recht en de plicht van te antwoorden !

MONSEIGNEUR,

Gij spreekt van herhaalde vaderlijke vermaningen tot mij toegestuurd ?

Ik bid u, Monseigneur, het is nu 12 jaar, dat ik uit overtuiging, den strijd heb aangegaan, voor het arme volk ; waar en wanneer hebt gij mij die vaderlijke vermaningen in geheel dien tijd laten geworden ?

Of zijn dal misschien de zalige vermaningen van Monseigneur, al die lage, spot-, schimp- en lasterartikels, waarmee de lasterbladen van Stock, uwen Staatsecretaris, volstaan ?

Ter eere van het bisdom van Brugge, verhoop ik wel van neen, en toch, volgens uwe woorden, zou men het moeten gelooven !

En wat al die gebeden betreft, die niet verhoord worden ! Ik geloof het wel, Monseigneur, want men heeft ons altijd geleerd in de Heilige Kerk, dat de God van hierboven, de God van rechtveerdigheid, van goedheid en van liefde is, en de gebeden waarvan gij spreekt, korren maar tot Hem, door mond en lippen, die schuimen van haat en nijd tegen mij.

MONSEIGNEUR

Gij zegt dat gij door “een genaamde Florimond Fonteyne beleedigd zijn”, in andere woorden “soms hoon en smaad van hem stilzwijgend verdregen hebt !”

Monseigneur, ik weet dat ik tegenover u eerbied schuldig ben, maar ook gij, al zijt gij bisschop, zijt tegenover mij de waarheid schuldig.

Wij durven u zeggen en geheel de stad van Brugge en geheel de streek weet, dat de heer Stock, in zijne bladen, - Stock, uwe man, in zijne bladen, uwe bladen - ons en onze vrienden, ik herhaal het, sedert maanden en maanden, onophoudelijk, hardnekkig in alle omstandigheden, op alle manieren, beliegt en belastert en eerrooft... en Monseigneur keurt dat goed, en Monseigneur steunt dat werk, en Monseigneur zegent en heiligt dat werk, en dan.... ... is het IK die Monseigneur beleedig en hoon en smaad aandoet/

* * *

DIe heer Stock, de schrijver van Monseigneur, volgens dat het nu klaar en duidelijk gebleken is, heeft weken en weken long, geschreven. herhaald nog geschreven, dat “Priester Fonteyne” , zekeren dag, geheel den nacht, tot ‘s morgens 5 ure, in eene slecht befaamde herberg, zoo beweert hij, zou genesteld hebben, en 's morgens met voituur is moeten naar huis gevoerd worden.....

En Stock loog en wist dat hij loog, en loog maar altijd voort ! Eens heb ik in dat gewest in een lokaal, eene meeting gegeven (en wij zijn overtuigd dat het een eerlijk en deftig lokaal was, anders zouden wij er niet naartoe gaan) en na de meeting zijn er duizend menschen met mij naar huis gekomen, en sedert dien heb ik nooit, geen enkelen keer, er den voet gezet.

Maar de bewaarders van Brugge moeten de menschen maar lasteren en broodrooven, 't is gelijk wie, als het maar kan dienen om Priester Fonteyne te kwetsen, hun bloedvijand, hun zwaarte beest!

En den schrijver en dat blad, en dat schrijven, keurt Monseigneur goed, en steunt Monseigneur, en zegent en heiligt Monseigneur !

En dan is het een “genaamde Florimond Fonteyne, die Monseigneur beleedigt, Hem hoon en smaad aandoet...”

* * *

Over tijd is er eene spotprent tegen Priester Fonteyne en eenen deftigen en eerbaren werkman Bernard Minnebo, in Brugge en in geheel de omstreek rondgestrooid geweest en dat bij duizenden en duizenden..

Ik verhoop wel dat het volk ze goed in het geheugen heeft bewaard en ze nooit zal vergeten !

Priester Fonteyne wordt daar verbeeld, kruipende op de kniën voor den coffre-fort van M. Marquet, mot onzen braven vriend Minnebo, ook in belachelijke spoprente,… en rondom ons een geheele beenhouwerij van vermoorden en van lijken en wat weet ik nog al !

Ja, Monseigneur, onze brave vriend Minnebo, arm ja, maar die als mensch, werkman, als huisvader, als christen en volksman, eerlijker en deftiger en edelmoediger is als de “beste en hoogstgeroemde” van geheel uw katholieken bewarenden boel.

Minnebo die geheel zijn leven gewerkt en gezwoegd heeft voor 't stuk brood van zijn oude moeder en geliefde vrouw en kinderke, en nooit rust en kent, als hij maar iets kan doen voor het welzijn van zijnen evenmensch, en bijzonderlijk voor zijne arme werkbroeders!

En toch moet hij ook in spotprent verschijnen, beleedigd, gehoond en gelasterd worden, door uwen schrijver en aan de algemeene verachting en spotternij geworpen worden.

Geheel de streek, al dat eerlijk en deftig is onder onze bevolking, heeft er schande van gesproken van die “katholieke spotprent”, zoo laag en walgelijk was dat “meesterstuk van broederliefde” de dat de christene moeders beschaamd waren en bevreesd dat ze onder de oogen hunner schuldelooze kinderen, zou gevallen zijn !

En nogthans, Monseigneur, die katholieke eerloosheid stond in het katholieke blad van den achtbaren heer Stock, dus in UW blad, geteekend en geschreven door uwe mannen, bijgevolg nog eens een werk goedgekeurd door Monseigneur, gesteund door Monseigneur, gezegend en geheiligd door Monseigneur.

En dan zegt Monseigneur, dat hij van de “genaamde Florimond Fonteyne” , zou hoon en smaad stilzwijgend verdregen hebben !

MONSEIGNEUR, Neemt het niet kwalijk, als ik mij eene gebeurtenis herinner van uit het leven van Christus onzen Meester.

Het is niet dat ik mij aan onzen Goddelijken Meester zal vergelijken, oh, neen, duizendmaal neen, want Hij is te groot en ik ben te nietig en te onweerdig om zoo iet8 te durven beweren !

Maar het doet mij innig genoegen, in deze droevige omstandigheden, een bladzijdeken, uit het leven Christi te mogen herinneren :

Hij stond dus voor het gerecht, waar Hij kost wat kost MOEST veroordeeld worden, verwezen tot der dood, en gedoemd om aan het kruis te sterven.

Hij stond daar, en Hij wierd belogen en belasterd ; Hij wierd begekt en bespogen ; Hij wierd gegeeseld en gekroond ; in een woord Hij wierd in alles dat, hem ziel en leven was, gemarteld, en.... een oogenblik, dat het slachtoffer, de vrijheid nam, een woord te spreken ter zijner verziet, verdediging… ziet, daar schoten zijne bloedvijanden in woede en razernij en huilden : Hoort gij het: Hij heeft God gelasterd !

MONSEIGNEUR,

Ik maak geene vergelijking, maar enkel herinner ik mij die gebeurtenis, tot mijn troost, en ik zegge vrij : De wereld is altijd dezelfde gebleven !

MONSEIGNEUR,

In uw briefken, staat ook dat de “ongelukkige, genaamd Florimond Fonteyne, onweerdig is het priesterkleed te dragen.”

Monseigneur, zulke woorden, in een briefken geschreven - afgelezen, openbaar in den predikstoel, voor al die brave, eenvoudige, christene geloovigen, waar geen woord ter verdediging mag tegen gesproken worden - dat heeten wij eene ware eerrooverij.

Nog eens, verschooning, Monseigneur, het is wat hard gesproken, maar al dat hert in het lijf heeft, zal moeten bekennen dat het de waarheid is !

Ik ben dus niet weerdig het priesterkleed te dragen.

Monseigneur, mag ik UEd. vragen waarom ?

Laat ons de zaak eens ernstig opnemen, en ons niet bekommeren met de spotbladen van den achtbaren heer Stock, waar dat al die spotternijen, al reeds voor het verschijnen van uw briefken, sedert weken en weken en wekelijks gedrukt en herdrukt geworden zijn.,

Gil, gij zijt bisschop en kerkvoogd ; zeg mij dan : waarom ik niet weerdig ben het priesterkleed te dragen ?

Monseigneur, laat ons kort spreken en goed.

Ik zal UEd. niet zeggen dat ik ook iets weet van wat er al gebeurt onder uwe geestelijkheid ; niet zeggen dat gij misschien beter zoudt doen van die zaak van onweerdig van het priesterkleed te dragen... voor te behouden voor eenige andere uwer gehooorzame gestelijken. Dat laat ik varen, want ik heb genoeg met te zorgen voor mijn eigen en houd mij met andermans leven niet bezig. Maar nog eens, waarom is de “genaamde Florimond Fonteyne niet weerdig van het priesterkleed te dragen ?

* * *

Monseigneur, ik ben volkskind geboren; ik heb mijn leven onder het vlaamsche volk overgebracht en er mee geleeft ; ik heb gehoord en gezien en ondervonden hoe dat ons arbeidende volk, ons arme volk van uwe katholieke gewesten, door de rijke, de machtige, de hooge en edelgeboren Meesters van Vlaanderen, uwe vrienden, en gezegende beschermelingen, onder den hiel gehouden worden en miskend, en verdrukt, en uitgebuit, en uitgezogen.... en dat alles besproeid met den wijwaterkwispel uwer geestelijkheid....

Dat alles zagen wij, dat alles weet iedereen, en omdat wij bloediger en vrijer dan anderen, omdat wij, kinderen des volks, den moed hebben van te zeggen aan onze Broeders in Vlaanderen, dat de tijd van slavernij en knechtschap moet uit zijn, dat ook ons vlaamsche volk recht heeft op vrijheid en op een eerlijk en deftig bestaan.

MONSEIGNEUR,

Ben ik daarom, niet weerdig van het priesterkleed te dragen ?

* * *

MONSEIGNEUR,

Omdat ik durf zeggen, en aan ons werkende volk wijsmaken, dat een eerlijke deftige werkman, maar die geen andere fortuin heeft als zijn vuisten, om voor vrouw en kinderen den kost te winnen, geen ander eerekruis, als het zweet van zijn voorhoofd - dat die eerlijke werkzijn voorhoofd man voor de stembus - zooveel recht heeft, als een rijkgestolen zweetdief, al ware het een hooggeplaatste, alom gekende en gevierde “godsdienstverdediger”, zooals er vele zijn.... ben ik daarom onweerdig van 't priesterkleed te dragen ?

MONSEIGNEUR,

Gij die Godsgezant zijt van de waarheid, dus van volksonderwijs en volksontwikkeling als wij denken durven, en zeggen en schrijven, dat het eene schande is voor een zoogezegd katholiek land, dat men vrijwillig honderd duist arme kinderen langs de straten laat dolen en tjolen, zonder onderwijs en opvoeding ; als wij durven roepen, dat het de grootste misdaad is van 't land... .. ben ik daarom ontweerdig van het priesterkleed te dragen ?

* * *

Monseigneur, wij hebben veel met de boeren verkeerd en weten zeer goed dat de boerenstand, de boerenpachters het slachtoffer zijn van een schreeuwend maatschappelijk onrecht.

Wij zien in de laatste tijden den landbouw dank aan de wetenschappen, en bijzonderlijk om reden van de duurte der levensmiddelen, veel vooruitgang en winsten doen.

Maar wij zien ook regelmatig de pachten opslaan en verhoogen en bijgevolg het einde van het spel zal nog eens zijn : De boter voor Mijnheer den Baron !

Wij durven vlakweg zeggen dat zulk een stelsel onrechtveerdig is ; het is de boer die werkt en slaaft, en de voordeelen van de “goé boerejaren” moeten aan hem toekomen.

Daarom EISCHEN wij eene wet die het eeuwig en ervig opslaan der pachten beletten.

Wij leeren dus dat de boer de vrucht van zijn arbeid zou mogen genieten.... en daarom ben ik onweerdig het priesterkleed te dragen !

* * *

MONSEIGNEUR,

Uwe katholieke regeering beweert dat Belgie een van de voorspoedigste en rijkste landen is der wereld.

Monseigneur, het is 27 jaar dat uwe mannen meester zijn in 't land, en in wetgeving en bestuur, alles te zeggen hebben.

Waarom is Belgie dan gebleven : het land der lange werkdagen en Lage loonen ?

Iedereen weet dat, maar dat mogen wij niet zeggen, omdat het meer dan eens gebeurt, dat de katholieke bewaarders, uwe vrienden, nog de grootste volksuitbuiters zijn !

En omdat wij de vrijheid hebben van dat oude woord van God te durven verkondigen dat de achterhouding van den loon der werklieden, eene wraakroepende zonde is, en dat het volk gelijk heeft van den kop te rechten, en voor zijnen arbeid recht en brood te eischen.... daarom ben ik niet weerdig van het priesterkleed te dragen.

* * *

MONSEIGNEUR,

Uwe katholieke regeering heeft eene pensioenwet gestemd van negen cens daags.

Uwe katholieke gazetten hebben jaren lang, op alle toonen, den lof bezongen van de bewaarders om die ongehoorde weldaad !

Monseigneur, 9 centen daags voor een ouden afgesloofden werkman, die zijn leven lang, zijn zweet en zijne krachten aan 't land ten besten gaf.... in een land waar het overloopt van algemeene rijkdom. .... in een land waar uwe mannen 16 millioen fr. aan de paleizen van koning Leopold hebben verkwist ;

6 millioen fr. voor den vermaarden onderaardschen gang van 't paleis van Laeken ;

150 millioen fr. voor nuttelooze forten;

70 millioen fr. voor kazernen ;

85 millioen fr. voor wapens en kanons;

En nu komt men bekennen in de Kamer : den deerlijken toestand van ons leger en landsverdediging !!!...

Wij mogen het kleine lieve geschenk niet vergeten door uwe katholieke regeering gedaan, uit de Staatskas, aan koning Leopold, hel geschenkje van 95 millioen fr. voor zijnen Congo en zijne Caroline !!!

MONSEIGNEUR,

In een land, waar honderde en honderden millioenen, het zweet des volks, verkwist worden en weggesmeten, in dat land, aan den ouden, grijzen, afgesloofden werkman, een pensioen geven van 9 centen daags... dat heeten wij eene spotternij !

En daarom, omdat wij dat durven zeggen, daarom ben ik niet weerdig van het priesterkleed te dragen !

* * *

MONSEIGNEUR,

In dat België, het land der lange werkdagen en der lage loonen, Wij zullen het maar zeggen zooals het is, - staat ons Vlaanderen, uw bisdom, zeer slecht geboekt !

Dat is eene droeve waarheid, maar door de “genaamde Florimond Fonteyne”, gezeid, zal het wederom eene beleediging zijn voor Monseigneur.

Monseigneur kent de lijnwaadverwers van Ledeghem, die voor 12 uren arbeid daags 7.12 fr. te week verdienen.

Monseigneur kent zijne parochiën Beveren, Wynghene, enz. — al in 't herte van Vlaanderen, zijn bisdom - alwaar werklieden, voor 60 tot 72 uren, 3.60 fr... 2.61 fr... 2.65 fr... 1.62 fr. te week verdienen.

Monseigneur weet dat er duizende landarbeiders zijn, in zijn bisdom die (boven den kost) 8 maanden lang 's jaars 72 centiemen daags verdienen !

Wij geven maar eenige staalkens, Monseigneur.

MONSEIGNEUR,

Wij zullen zoo vrij zijn ook een woord te spreken van Brugge, de hoofdstad van uw bisdom, uwe stad, alwaar Monseigneur sedert 17 jaren Bisschop i8, alwaar de rijke katholieke bewaarders, uwe mannen, uwe vertrouwelingen, sedert 37 jaren heer en meester zijn ; alwaar de edeldom, oud en rijk en machtig, en ontelbaar, Hem nederig dienstbaar is ; alwaar het krioelt van de rijkste kloosters van 't land, ook de zijne ; alwaar tot nu toe, al wat groot is, en machtig, en van gezag en van invloed, ootmoedige steunpilaren zijn gebleven van Monseigneur, een klop van zijnen Bisschopstaf zou voldoende zijn, om geheel den boel van slaafsche lijfknechten overhoop te zetten.

Monseigneur, in uwe stad in Brugge, alwaar, om kort te maken, gij, en Bisschop zijt, en gouverneur, en burgemeester en voorzitter van het armbestuur, en voorzitter van de Concorde en van de Burgersgilde en van de Gilde der Ambachten, in een woord, alwaar Monseigneur, tot nu toe het hooge woord te voeren had, en de groote macht was en alles te zeggen had... Waarom is Brugge, uwe stad, van al de groote steden van 't land, voor wat volkswelstand betreft, nog altijd de groote stad gebleven van krotte en Cie voor de kleine burgerij, van armoe en ellende voor 't arbeidende, voor het arme volk !

Brugge, Monseigneur – uwe stad - waarin de gewone werklieden van 12 tot 15 fr. te week verdienen.

2 tot 3 fr. huispacht te week, dan bljJft er nog 2 fr. en min over, daags, om te met vrouw en 2. 3, 4, 5 of 6 kinderen.

In Brugge, Monseigneur, uwe stad, hoeveel honderde en honderde kantwerksters zijn er niet, die ondanks langen, neerstigen arbeid, moeite hebben om 6 fr. te week te verdienen ?

En ook in Brugge, al die arme, kleine kinderkes, die te slaven sitten aan hun kussen voor eenige centjes daags !

In Brugge, Monseigneur, stonden in 1906 op den boek van 't armbestuur ingeschreven : 1695 huisgezinnen of 6053 behoeftigen !

In Brugge, Monseigneur, schoone kunststad, zijn er geheele arme volkswijken, met honderde ellendige straatjes en armtierige forten en duizenden diep vervallen huisjes, te armzalig en te ellendig om er dieren in te huizen en waar dat uwe geloovigen (uwe kinderen) gedwongen zijn te wonen, en dat nog zoo menigmaal aan wraakroepende woekerpachten !

Dat alles zal Monseigneur zoo wel als wij bestatigd hebben, want ik ben zeker dat hij meer dan eens de arme volkswijken zijner arme geloovigen, doorkruist en bezoekt.

Monseigneur, omdat wij dat alles bestatigen, dat schrijven durven en tegen die ongerechtigheden durven opstaan, daarom is de genaamde Florimond Fonteyne onweerdig het priesterkleed te dragen.

MONSEIGNEUR,

In Brugge, uwe stad, strijden wij, om van het stadsbestuur, het uwe, voor de arme zwakke schoolkinders, de schoolrifters, een deugdelijk stukje middageten, te verkrijgen.

Uwe mannen, de rijke bewaarders, doen al dat mogelijk is, om dat schoone edele volkswerk tegen te werken en af te weren.

En daarom is de genaamde Florimond Fonteyne onweerdig het priesterkleed te dragen.

MONSEIGNEUR,

Ik heb ook bekomen en verkregen dat de heer Marquet, 3 tot 400 deftige werkmanshuizen zal bouwen en dat alles voor 't werkvolk, aan zeer genadige prijzen....

En daarom is de genaamde Florimond Fonteyne, niet weerdig van het priesterkleed te dragen !

MONSEIGNEUR,

In uw briefke staat er ook dat de “genaamde Florimond Fonteyne” een “afvallige” priester is.

Monseigneur, gij hebt dat woord “afvallige priester”, geschreven, voorzeker in opgewondenheid, wellicht door gramschap vervoerd, omdat gij ziet dat uwe rijke katholieke bewaardersboel, den dieperik ingaat, omdat gij ziet en ondervindt dat het werkvolk van Brugge vrij wordt, omdat ge maar al te wel gevoelt dat de democratie in Brugge bovenkomt en zegeviert.

Daarom zou ik een “afvallige priester” zijn.

MONSEIGNEUR,

Men zegt in stad dat gij bijzonderlijk kwaad zijt en verbitterd tegen mij, omdat ik een woordje gesproken heb over de zaak van Coxyde.

Monseigneur, een enkel woordje gesproken omdat ik moest ; omdat ik in uw bladce lafhertig wierd aangevallen... Maar waarom zoo verbitterd zijn op mij ? Ik heb toch dat erfdeel niet binnengespeeld ? En is het volk, uw eigen geloovige volk zoo verbitterd, het is heel gemakkelijk : Geef het terug aan de arme erfgenamen !

Wat kan ik daaraan doen ? En ben ik daarvoor onweerdig het priesterkleed te dragen ?

MONSEIGNEUR,

Het is nu zooveel jaren dat ik strijd ter verlossing en verheffing van ons arme verslaafde volk en nog nooit heb ik een enkel woord gesproken, nooit geen enkel woord geschreven, tegen den Godsdienst, en nooit zal ik het doen ! Ik sloeg liever mijne pen in stukken, en schreef nooit geen enkel woord meer !

MONSEIGNEUR,

God zij gedankt, ik ben niettegenstaande al de pogingen door uwe katholieke bewaarders gedaan, om ons op den dool te brengen, ik ben altijd innig overtuigd, trouw geloovige priester gebleven, en ook met de hulpe Gods, ik verhoop het wel te blijven tot op den boord van ’t graf !

Spijtig genoeg voor den rijken bewaardersboel !

Ik mag dus zeggen, Monseigneur, dat die woorden “afvallige priester” , een nieuw onrecht zijn tegenover mij gepleegd.

En nog eens, Monseigneur, omdat Ik durf zeggen dat dit woord een onrecht is, om niet meer te zeggen, dat gjj mij kwetst, en schaadt en eerrooft, in mijne weerdigheid van mensch en van christen en van priester ; daarom zal de “genaamde Florimond Fonteyne”, meer dan ooit een opstandeling genoemd worden, een hooveerdigaard, ontweerdig het priesterkleed te dragen, van wien Monseigneur soms hoon en smaad stilzwijgend te verdragen heeft !!!

* * *

En om te eindigen, Monseigneur, nog eenige woorden, als het mij toegelaten is.

Hetgeen ik nu zal schrijven is misschien wat erg, maar hier geldt het mijne eer en eerlijkheid, Monseigneur, en dat aanzie ik als een kostelijk goed.

Monseigneur, ons volk is te ver ontwikkeld, en is getuige genoeg van hot geweld van den politieken drift, om niet te weten, dat er geen spraak kan zijn, van “afvallige priester"… “van niet weerdig te zijn van het priesterkleed te dragen”, ja ons volk, ja uwe beste rechtzinnigste geloovigen, bekennen het maar opentlijk, dat geheel uw briefke maar een ellendig kieswapen is om priester Fonteyne te treffen, machteloos te maken, en met hem da onkomende democratie te versmachten in uwe stad, en kost wat kost, de rijke bewaardersboel te redden.

En daarom, dat briefke ; en daarom tot de kinderkes toe, de onwetende schuldelooze kinderkes der katholieke scholen, opgemaakt en opgehitst tegen Priester Fonteyne !

Zij mogen geen Priester Fonteyne meer zeggen, maar Florimond Fonteyne.... zij moeten lezen en bidden, opdat hij eene zalige dood zou mogen sterven, in andere woorden, hij moet dood ; dan zullen ze kunnen roepen achter hem langs de straten ; en daarom in uwe kerken, in de congregaties, in de kapellen, in de scholen, in uwe gazetten, en schimpbladen, altijd en overal het geloovige volk maar opgehitst tegen mij, en haat en nijd tegen mij, herteloos aangepreekt en aangevuurd !

En men heet dat een goed en christelijk werk !

Wat ook grootmoedig is Monseigneur, in uw briefke, is dat gij u beroept op eene veroordeeling van den Paus.

Gij wilt zeker spreken van zeker brief van Merry del Val, ook eens tegen Pr. Gij Wilt zeker spreken van zeker brut ke van Merry del Val, ook eens tegen Pr. Daens en Priester Fonteyne in de bewaardersbladen verschenen en in de predik8toelen afgelezen.

Dat wel? En ik geloof dat de rijke bewaarders wel nog zulke briefkes zullen bekomen, om hunnen politieken boel te verdedigen.

Maar Zijne Heiligheid de Paus van Rome, dat men dat niet bewere, Monseigneur, want ik ben overtuigd dat Hij niet weet dat ik besta !

* * *

Monseigneur, een laatste woord :

Dat men mij beliege en belastere, dat men mij bespotte en beschimpe, dat men mij duivele en martele, in al dat mij dierbaar is… Ik blijf getrouw aan mijn godsdienst, maar ook getrouw aan het volk en de democratie.

Weert u maar voor de rijke bewaarders, wij zullen ons ook weren en van langsom meer voor ons arm verdrukte volk t

Met eerbied, maar recht boven alles.

PRIESTER FONTEYNE.


(Extrait du Journal de Bruges, du 12 juillet 1923)

Nous apprenons la mort de M. l’abbé Fonteyne, ancien conseiller communal de Bruges et ancien membre de la Chambre des Représentants. Au lendemain des élections législatives où il avait échoué, il avait quitté notre ville pour aller habiter le Nord de l’Afrique, dans les environs d’Alger. Il y était employé dans un commerce de vins, fruits, et autres produits de la contrée.

Il vient d’y mourir subitement le 2 juillet dernier à l’âge de 66 ans.


(Extrait du Brugsch Handelsblad, du 14 octobre 1967)


Af en toe hoort men nog wel 'ns in studentikoze en andere kringen, waar drank en rook de geesten lichtjes hebben verhit, het liedje weerklinken van “paster Fonteyne...” Meestal zijn het dan woorden, die enkel en alleen door de jaren heen een folkloristische klank hebben gekregen en slechts een variante zijn op het strijdlied, dat Brugse kristen-demokraten weleer zongen naar aanleiding van de een of andere politieke meeting, die priester Fonteyne in een volkrijke buurt van de stad had gehouden. Jongeren, die het zingen, weten doorgaans niet wie paster Fonteyne wel was.

De naam van priester Fonteyne zal eeuwig aan Brugge verbonden blijven, omdat hij in het Brugse de vaandeldrager is geweest van wat men in de geschiedenis van de arbeidersbeweging het “Daensisme” noemt dat vooral in het Aalsterse order het impuls van priester Adolf Daens en diens broer Pieter Daens is ontstaan. De sympatie voor het “Fonteynisme” was te Brugge tussen 1911 en 1914 zo groot dat noch katolieken noch socialisten in de volksbuurten iets te betekenen hadden. Tegenstrevers noemden priester Fonteyne de eerste socialist !

Des te aangrijpender zijn daarom de laatste levensdagen van priester Fonteyne geweest. die na de eerste wereldoorlog. toen zijn beweging op het politieke front geen schijn van kans meer had, als een geknakt en verbitterd man naar Algerië uitweek, er te Bougie een baantje vond van bewaker van een Iikeurstokerij, door de Brugse likeurhandelaar Emiel Van Loo aldaar opgericht, vervolgens kelner werd en zich aan de drank verslaafde. Ver van zijn vaderland, verlaten door iedreen en vereenzaamd, blies hij op een klein kamertje zijn laatste adem uit op 4 juli 1923.

Florimond Fonteyne. die eens onderpastoor was van de Brugse parochie van St-Anna en later in de kamer als volksvertegenwoordiger zetelde van de Volksbond, waarvan de zetel te Brugge in het gasthof “De Roode Poort” ter Hallestraat gevestigd was. Zo eindigde het leven van een priester, die het eerlijk in de strijd voor de kleine man heeft gemeend maar zich met de kerk niet heeft kunnen verzoenen.

* * *

Omwille van hun politieke overtuiging hebben noch priester Fonteyne in het bisdom Brugge noch priester Daens in het bisdom Gent, hun draai met de kerk kunnen vinden. Beiden bliezen de bruggen met het bisdom op, met dit verschil nochtans dat priester Daens op zijn sterfbed zich met zijn bisschop verzoende. Wat Fonteyne, onstuimiger en grilliger van aard, deed zeggen : “Op zijn sterfbed de demokratie afzweren. Ons leven lang strijden voor de waarheid en op ons sterfbed moeten zeggen dat twee en twee vijf is ! Alles opofferen in de strijd voor het recht en rechtvaardigheid en moeten eindigen met de hielen te kussen van onze rechtsverkrachters ! Dat ware wel. Ik erken geen ander bisschop dan God !” Wat bede geestesgenoten echter zeker gemeen hadden, was het oratorisch talent waarmee ze de volksmassa wisten wakker te schudden en op te zwepen.

In de volkrijke St-Anna-buurt. waar priester Fonteyne van 1895 tot 1897 onderpastoor was, noemden de mensen hem “Fonteyntje” omdat hij door rechtverschaffing hun harten had gewonnen. Zijn programma en dat van de kristen-demokraten waren in twee woorden : “het treffelijk broodgewin voor arbeider, burger en boer, en hun volledig burgerrecht”, m.a.w. hij nam het op voor de arme Lazarus tegen de rijke vrek. Zijn ongeIuk bleek wel, dat hij noch op de kansel noch op de vergaderingen een blad voor de mond nam, waardoor hij zich de banbliksems van het bisdom op de hals haalde, zijn abonnement op “Het Recht” (blad van de kristen-demokraat H. Planckaert) onmiddellijk moest opgeven en met bekwame spoed overgeplaatst werd als onderpastoor naar het onooglijke Zarren, waar de opstandige Brugse priester zich in de stilte van de IJzerstreek kon witwassen.

* * *

Afvallig

Plots barstte op 12 mei 1900 te Brugge de bom. De Gazette van Brugge berichtte op de voorpagina : “Eerw. Heer Fl. Fonteyne, onderpastoor van Zarren, is in zijne bediening opgeschorst, heeft verbod gekregen nog de Heilige Misse op te dragen en zich. zonder verlof van Mgr den Bisschop, buiten het bisdom Brugge te vestigen.” Dit betekende dat Fonteyne het poIitiek arena had betreden en zich kandidaat had gesteld op de lijst van kristen-demokraten in Antwerpen.

Als leek leefde hij er niet van een herberg - zoals men wel 'ns heeft beweerd - maar wel van een klein sigarenbedrijt dat hij er samen met zijn zuster en schoonbroer had opgericht. Vaak verscheen hij in een café op de Ossenmarkt, waar de Antwerpse kristen-demokraten hun lokaal hadden. Na de nederlaag van de Antwerpse kristen-demokraten bij de wetgevende verkiezingen. stelde Fonteyne later zijn kandidatuur te Gent, waar hij evenmin werd verkozen.

In 1910 vinden we hem terug in Koekelberg als hoodredakteur van “De Nieuwe Tijd” en uitbater van een drukkerij. Ook in Brussel stelde hij zich kandidaat. Zonder sukses !

Een nieuwe bom ontplotte te Brugge, De Volkseeuw, krant van de Brugse Daensisten, schreef op 5 maart 1911 : “Wij komen aan onze oude en jonge partijgenoten een blijde en verheugend nieuws melden… onze goede vriend priester Fonteyne… komt de leiding der partij in Brugge in handen nemen”, Fonteyne meldt zich dan in hetzelfde nummer met een eerste woord aan de vrienden van Brugge : “Vrienden, gij hebt mij gevraagd, gesmeekt en gebeden van bij u te komen, om aan uwe zijde, aan uw hoofd. den strijd te hernemen voor ons geliefde volk. Ik heb lang geaarzeld, omdat wij tot over het hoofd in het werk zitten in Brussel... daarom geene kleingeeestigheden, geen vitsen en kritsen tegen personen, geen plagerijen en zagerijen. maar edelen kamp en groothertigheid.”

Met de komst van Fonteyne naar Brugge, zal het politieke leven er een episode beleven, die wel tot de meest boeiende, de meest bevochten, de meest spannende kan gerekend worden in de geschiedenis van de verkiezingen niet alleen op gemeentelijk maar ook op parlementair vlak. Fonteyne doet zijn intrede als een agitator van formaat en een bruisend demagoog.

* * *

Hard tegen onzacht

Sedert zijn vertrek uit Brugge is zijn populariteit in de St-Anna parochie onverminderd gebleven. waar men de gewezen onderpastoor van de parochie nog steeds op de handen draagt. Ook kan Fonteyne rekenen op de steun van de andere volkrijke buurten van de stad. Gestadig houdt hij meetings ; niet alleen in de “Roode Poort” ter Hallestraat maar ook in “De Kelk” ter Laagestraat, in “Den Anker” ter Katelijnestraat, in “De Ketsbaan” op Fort Lapin, “Au Nouveau Café”, langs de Male Steenweg. enz. Overal is hij de gevierde spreker, die volk lokt. Kaarten met zijn portret worden tijdens de meetings verkocht en in de scholen door de nonnekens en onderwijzers afgenomen omdat het een portret is van een slecht en een afvallig priester.

Van maand tot maand stijgt de oplage van zijn krant De Volkseeuw waarin hij wekelijks bijtende. sarkastische artikels schrijft, waarin hij niets en niemand spaart. Alle mogelijke wantoestanden klaagt hij aan, zelfs de stinkende reitjes van Brugge. Hij deed het in dier voege : “Mijnhère Visatt, bourgemestre der stad Bruges. Celles-ci om u te laten weten Minhère Visart, welbeminden brugmeester en cher papa aller Bruggelingen dat het Speelmans reitje sedert nen tijd van hier schrikkelijk begint te stinken ! Pardon Minhère de burgrneester je veux dire zoo wat rare begint te rieken. Als ge de moeite niet vreegt Visart (en wij weten dat ge u sedert 35 jaren slachtoffert voor onze stad) langs daar eens te wandelen 's avonds als de welriekende geuren van 't stinkers reitje als geurende wierook ten hemel stijgen, zoo zult te u kunnen overtuigen dat het al eau de cologne is wat men riekt.”

Zijn politiek vuurwerk boekte dan ook te Brugge sukses. Eest op gemeentelijk vlak. De kristen-demokraten kregen vijf gekozenen in de Brugse gemeenteraad, o.m F. Fonteyne, priester, B. Minnebo, gemeenteraadslid en C. Moeyaert. drukker.

Het gemeentelijk sukses stimuleerde de kristen-demokraten in die mate dat priester Fonteyne in 1912 tot volksvertegenwoordiger werd verkozen, hoewel de bisschop van Brugge een drietal maanden vóór de kamerverkiezing in alle kerken van het arrondissement van Brugge de volgende herderlijke brief had laten aflezen : “Het is u niet onbekend hoe een afvallige priester, met naam Florimond Fonteyne, na herhaalde vaderlijke vermaningen ons gedwongen heet hem met zware geestelijke straffen te treffen, verhopende hem aldus tot inkeer te brengen. Sedert dien hebben vrij onophoudelijk voor hem gebeden, en met langmoedigheid hem tot beternis verwacht, allen ondank, ja soms hoon en smaad van hem stilzwijgend verdragend. Hij bleef, helaas, hardnekkig in de boosheid, hoewel ook door Zijne Heiligheid den Paus afgekeurd, en onlangs werd hij eene ware ergernis voor een deel onzer kudde, ze pogende door woord en schrift en gansch zijn handelwijze te verleiden, en aan den eerbied en onderdanigheid, de H. Kerk verschuldigd, te onttrekken. Daarom mochten wij niet langer moet zwijgen, en komen wij u openlijk verklaren, dat die ongelukkige onweerdig is nog het priesterkleed te dragen, en het gebruik der HH. Sacramenten hem ontzegd is. Tevens vermanen wij u dat de lezing zijner geschriften, namelijk het weekblad De Volkseeuw, aan alle christene geloovigen verboden is. en dat alwie hem in zijne weerspannigheid ondersteunt grootelijk plichtig is vóór God.”

Zo verwierf Fonteyne, die in Brugge toen in de Predikherenstraat, nr. 20. bij zijn vriend Bernard Minnebo wonnde na elf jaar harde strijd in Antwerpen, Gent en Brussel een politiek mandaat. De reaktie was te Brugge zo woelig, dat in dc lacht, volgend op de kamerverkiezing, incidenten plaatsvonden in verschillende buurten van de stad, waarbij politie en brandweer manu militari moesten ingrijpen. Ter Carmersstraat werd een 17-jarige jongen, Marcel Van Acker, werkzaam in de Gisten Spiritusfabriek, door de kogel van de politie dodelijk gewond ; in dezelfde straat werd voor smaad, opstand en stagen proces-verbaal opgernaakt tegen Victor Taquet, Romain Taquet, Willem Vanhoutte en Alfons Blick : in de Snaggaertstraat werd voor dezelfde feiten proces-verbaal opgesteld tegcn Georges Maertens, en in de Zuidzandstraat tegen Maurice Suvée en Medard Moerman. Ook werden pogingen aangewend om de verkiezing van priester Fonteyne ongeldig te doen verklaren ; de oppositie diende een klacht in op grond van zekere feiten dat w.o. deze dat er overal en wel in het bijzonder te Torhout door priester Fonteyne is toegelaten van pinten bier te drinken ; dat er op 2 juni, dag der verkiezing, vijffrankstukken in de woning van priester Fonteyne bij Minnebo werden uitgedeeld aan de kiezers. Na onderzoek in de Kamer werd de klacht niet aanvaard en Florimond Fonteyne bleef volksvertegenwoordiger. Hij stond nu op het toppunt van zijn macht!...

(wordt vervolgd)


(Extrait du Brugsch Handelsblad, du 21 octobre 1967)

"Priester Fonteyne, dat was een Man..." GESPLETENHEID VAN EN BRUGS ROMANFIGUUR (II)

In de ogen van velen, vooral van het bisdom en van de hardnekkige konservatieven, was de groeiende aanhang in het Brugge van priester Fonteyne een flinke doorn. Tegen die al maar groeiende aanhang was er voor het geestelijk gezag geen andere uitweg mogelijk dan een dam op te werpen, waarvan geestelijke en politieke leiders hand in hand zouden werken om « Fonteyntje » op de knieën te krijgen.

Het is met deze bedoeling, dat Mgr. Waffelaert, bisschop van Brugge, in Juli 1904 een buitengewone kracht naar Brugge riep en E.H. Achiel Lauwers aanstelde tot proost der sociale werken, waarvan de nieuwe lokalen al sedert tien Jaar in de Oude Burgstraat gevestigd waren. Alsof dit nog niet voldoende was, liet Monseigneur in 1906 een nieuw element aantreden in de persoon van E.H. A. Logghe, onderpastoor van de St-Salvatorparochie. Van belden bleek laatstgenoemde de ideale man om pastor Fonteyne te “counteren”.

Op zuiver politiek vlak daarentegen wezen de konservatieven van de “Concorde” uit de Steenstraat, baron Albert Ruzette, goeverneur van de provincie, aan als de rechtstreekse tegenkandidaat van Fonteyne en

diensvolgens moest deze tegenspeler zijn ambt van opgeven om de Kamerverkiezing in 1912 tegen priester Fonteyne op te komen.

Zeer kenschetsend voor die tijd waren dan ook de talrijke liederen, die gelanceerd werden en door de politieke partijen als een uitstekend propagandamiddel werden gebruikt, daar het zingen bij de volksmens toen sterk in de mode was. Ruzette in de zetel, Fonteyne in de ketel. Of andersom!

* * *

Het klaverblad

Samen met “de Narden”, met name Bernard Minnebo, en drukker Moeyaert vormde priester Fonteyne hel klaverblad van de brugse kristen.demokraten. “Narden” Minnebo en Moeyaert waren reeds sedert okt. 1903 in de gemeenteraad van Brugge gekozen. Kamiel Moeyaert woonde langs de Coupurerei. Tot 1898 was hi) verbonden aan de Gazette van Brugge, waarvan Gustave Stock de uitgever was na de krant van de h. Louis Herreboudt, grootvader van de huidige uitgevers van het Brugsch Handelsblad te hebben gekocht. Stock ging overigens door als de spreekbuis van de konservatieven. Wegens zijn gezindheid en zijn totale inzet voor “de kleine man” kon Moeyaert er niet langer blijven, begon dan op eigen houtje en gaf naast Het Recht zijn eigen kristen-demokratische bladen t Vrije Woord en Het Vrije Volk uit.

Bernard Minnebo was de oudste van vijf wezen en kreeg zijn opvoedine in een weeshuis ; van zichzelf zei “de Narden” 'ns in een gemeenteraadszitting : “bij het sluiten van het wezenhuis. werd er mij toegelaten gedurende zekere tijd bij de portier van het St-Janshospitaal te gaan noenmalen, omdat men wist dat mijn moeder haar brod op straat moest gaan verdienen voor de andere kinderen en mij dus, als zwak en teerder kind, de nodige zorgen niet kon verzekeren.” Als gemeenteraadslid woonde hij ter Predikherenstraat, 20, waar hij later priester Fonteyne ook zou opnemen als zijne trouwste luitenant en daarom ook door de tegenstrevers “de koster van paster Fonteyne” werd genoemd.

Had het “Fonteynisme” een mooi klaverblad, dan betekende dit nog niet dat er geen andere Bruggelingen zich in de rangen van de kristen-demokraten verdienstelijk hadden gemaakt of tot het sukses van de nieuwe partij in het Brugge hadden bijgedragen. Om er maar twee te noemen : Cyriel Huys en Leon Berten, Eerstgenoemde kreeg zelfs samen met “de Narden” van het bisdom verbod te kommuniceren. Wat wel aantoont dat Cyriel Huys doorging als een hoofdfiguur van de kristen-demokraten, Leon Berten, voorzitter van de “Fonteynistische” wijkbond van de H. Magdalena, bracht het eveneens tot gemeenteraadslid van Brugge.

* * *

De doorbraak

De doorbraak van de kristen-demokraten te Brugge begon pas voor goed, toen priester Fonteyne na elf jaar afwezigheid op vraag van “de Narden” naar Brugge kwam en er de leiding op zich nam. In zijn weekblad De Volkseeuw, dat toen één cent het nummer kostte, bezat hij een machtig wapen ; dit blad kende bij de volksmassa een ongehoord sukses : 3,035 nummers in nov. 1911, 5,150 in dec. van hetzelfde jaar, 8.400 in febr. 1912 en 15.300 in maart van dit jaar.

De partij bouwde zich ook organizatorisch uit. Wat de oprichting van allerlei organizaties tot gevolg had, nl. de talrijke wijkbonden, de Jonge Wacht, een spaarvereniging, de trompettersclub (bestaande uit trompetters, klaroenblazers en trommelaars), een begrafenisfonds, een turnkring voor de hefhebbers van “gymnas” in de zaal van het “Lustig Boldershof” ter Witte Leertouwersstraat en – ‘vat bij de volksmassa insloeg – de uitgave van een liederenboek. Van groot was ook de oprichting van de demokratische ziekenbond “Broederliefde”, die reeds in 1911 over een kapitaal van 2,500 fr. beschikte en al 1,50 fr. Daags aan de zieke leden uitbetaalde.

Doch met het werkelijk zwaartepunt van de partij lag op de meetings, die toen nog “in” waren en druk werden bijgewoond. Nooit werden toen te Brugge zoveel meetings gegeven. Ingang en woord vrij ! Wij zijn geen bazarpolitiekers” eiep paster Fonteyne, uit en tachtte dit te Brugge aan “ de brave werkman te maken in de “Roode Poort” ter Hallestraat, “Den Anker” in de Katelijnestraat, “’t Boldershof” in de Schaarstraar, “De Kelk” in de Langestraat, “•t Keizershof” in de Baliestraat, “De Wolf” in de Ezelstraat. Ofwel in het Brugse. te Zeebrugge in het “Hotel Cosmopolite”, te Lissewege in de herberg “Congo”, te Heist in “de groote schouwburg.” Overal lokte hij volk! Nochtans waren de brouwers niet altijd gediend met zijn optreden, hoewel de herbergiers bij deze meetings heel wat pinten meer verkochten. Zo verbood de Brugse brouwer A. Floor een meeting van priester Fonteyne in één van zijn herbergen doch de uitbater van “Café Alfons” ter St-Jorisstraat oordeelde er anders over. Belust op een grotere winst, liet hij de meeting toch plaatshebben terwijl de brouwer een flinke bolwassing te beurt viel in De Volkseeuw, het blad van priester Fonteyne, waarvioor konservatieven en priesters vaak met een ei hebben gezeten.

* * *

Op zijn sluffers

De tijd van priester Fonteyne heeft Kamervoorzitter Achille Van Acker als jongen beleefd en haalde in zijn “Herinnerigen” het volgende aan :

“ In 1911 was priester Fonteyne niet een afvallige maar veeleer een opstandige priester, die het te veel voor de kleine man opnam, kandidaat bij de gemeenteverkiezingen. Sedert enige tijd verscheen zijn Volkseeuw.

“De zondagnamiddag. na de zondagschool, zette ik het op een loopje naar de andere kant van de stad om een gazetje te kopen. Er werden iedere week onrechtvaardige toestanden aangeklaagd, wat mij aantrok. Ik herinner me nog, hoe ik ter kerke ging bidden opdat Pastertje Fonteyne zou verkozen worden...”

Kamervoorzitter Van Acker was toen dertien jaar ! En hij was er ook weer bij, wanneer de stoet door de straten van Brugge trok om priester Fonteyne en zijn medegekozenen in de Brugse gemeenteraad te vieren.

“Een reusachtige massa stroomde samen. Ik was ook van de partij. Zingend, muziek voorop, trokken we door de straten van de oude stad. Ik droeg lichte sluffers, On een gegeven plaats moest men door een smalle straat en men werd er samengeperst als in een trechter. In de duisternis stapte iemand op mijn sluffer en het was op één sluffer en één kous dat ik verder de tochtt meemaakte, Laat in de avond kwam ik met mijn kous vol gaten thuis en mocht natuurlijk de verdiende kastijding in ontvangst nemen...”

Het sukses van de “Fonteynisten” in deze gemeenteraadsverkiezing was zó groot dat de oppositie niet alleen van één tot zeven leden was gegroeid maar dat Gustave Stock, de uitgever van de Gazette van Brugge uit de raad gewipt werd. Wat de gebuisde kandidaat aanzette een heftige kampagne tegen priester te voeren, In de respektievelijke weekbladen kwam men vlug van de regen in de drop en het duel Stock-Fonteyne ging zo ver, dat Fonteyne door Stock wegens eerrovende insinuaties voor het gerecht werd gedaagd, Stock eis tot een schadevergoeding van 2.000 fr. werd door de rechtbank ingewilligd. Wanneer Fonteyne later weigerde te betalen, liet Stock beslag legger, op zijn penningen van volksvertegenwoordiger. De vergoeding van volksvertegenwoordiger bedroeg toen 4.000 frank (en toen was een frank nog een frank). Wat ook blijkt uit een politiek lied dat toen in trek was :

“Aanschouw die heren Kamerleden

“Of de Ministers van ’t Senaat

“Die op de vloerkussens nederzitten

“En reizen op de kosten van de Staat !

“Al voor hun eigen wet te stemmen

“Trekken zij vierduizend frank,

“Die mannen laten zich niet temmen,

“'t Komt toch al van de werkman.”

Voor Fonteyre betekende de inbeslagname van zijn parlementaire penningen “krotte”. Zijn vrienden zagen zich daarom verplicht een steunfonds “Voor priester Fonteyne” op te richten. De eerste lijst bracht al 196.85 fr. op. De oppositie was er vanzelfsprekend als de kippen bij om de situatie te schandvlekken en zong al maar door van “Priester Fonteyneé leeft met 't geld van ‘t arme volk.”

* * *

Ruzette en Visart

Een vast programma bezat priester Fonteyne wel niet, hoewel de invloed van het Daensisme duidelijk merkbaar was. Zo nam hij het o.m. ook op voor de vervlaamsing van de universiteit van Gent en werd als vierde spreker aangekondigd op een meeting, die in de stadshallen op 26 maart 1911 gepland werd rond het thema van de vervlaamsing de Gentse hogeschool en waarop Kamiel Huysmans (socialist); Fr. Van Cauwelaert (katholiek) en Franck (liberaal) ook het woord zouden nemen. De Brugse konservatieven waren met de naam priester Fonteyne op de sprekerslijst niet gediend en roerden zich zo dat Fr/ Van Cauwelaert verbod kreeg het woord te voeren met paster Fonteyne. De volksvergadering has dan zonder Fonteyne plaats, maar Fonteyne sprak op dezelfde avond in de “Roode Poort” ter Hallestraat, subiet na de meeting in de stadshallen…

Toen een jaar later ten gevol.ge van de Parlementsontbinding, de Kamerverkiezingen op 2 juni moesten plaatsvinden, vormden de “Fonteynisten”, kartel met de liberalen en socialisten. De rente plaats op lijst nummer 2 werd ingenomen door de liberaal Thooris, de tweede plaats door priester Fonteyne en de derde plaats door de socialist Dumon. De konservatieven daarentegen speelden hun beste troeven uit met Visart de Bocarmé, burgemeester van de stad Brugge van volksvertegenwoordiger, van wie Fonteyne eens uitriep dat hij in de Kamer weinig of niets verrichtte tenzij hij een belasting vroeg op het zout, en met baron A. Ruzette. die willens nillens zijn post van goeverneur verlaten moest om speciaal tegen priester Fonteyne op te komen. Heel de verklezingskampagne stond in het teken van het duel Fonteyne-Ruzette. Wal het volgend politiek lied deed ontstaan, waarin de namen konden verwisseld worden naar gelang de politieke gezindheid van de zangbroers :

“Chim. chim, chim

“Fonteyntje moet er binnen

“Ja, er met klank

“Chim. chim. Chim

“Ruzette moet er buiten

“Met een buize, ja, ja. Ja

“O dat klinkt zo schoon

“In ieders oor”

Refrein :

“Ruzette. Ruzette.

Hom, Hom, Coxyda,

“Pas de Ruzeette

« In de ketel, ha ba ja !”

(word vervolgd)


(Extrait du Brugsch Handelsblad, du 28 octobre 1967)

"Priester Fonteyne, dat was een Man..." GESPLETENHEID VAN EN BRUGS ROMANFIGUUR (III)

De inzet van de politieke partijen voor de parlementaire verkiezingen van 1912 was nog nooit tevoren zo hevig geweest. Alles werd er op gezet om de verkiezing van priester Fonteyne te beletten. In alle staasdelen volgden de meetings in zo'n tempo elkaar op, dat Brugge a.h.w. in “staat van beleg” verkeerde.

Met een ongebreideld entoesiasme wierpen de “Fonteynisten” zich in de strijd. Op hun meetings, die druk werden bijgewoond, spuwde priester Fonteyne vuur en vlam. Zijn aanhangers zonegen, keelden en brulden almaar door van “Priester Fonteyne, dat is een man”… het zo populair geworden liedje, dat door zekere A.D., een werkman, was gemaakt geworden.

Wie deze werkman was, hebben we kunnen achterhalen en we beschouwen het als een soort “primeur” zijn naam aan de openbaarheid te kunnen prijsgeven. De auteur van het liedje, dat een hulde aan priester Fonteyne bleek te zijn, was niemand anders dan het huidig socialistisch gemeenteraadslid August Declerck, die toen als 19-jarige volksjongen uit Sint-Pieters het “Fonteynisme” beschouwde als het enige en beste middel om het ellendig lot van de werkman te verbeteren.

Hoewel raadslid A. Declerck niet lang naar school liep en vroeg moest gaan werken, toch voelde hij zich aangetrokken tot het schrijven en bezat zelfs wat dichterlijke aanleg. Hij werkte toen als boeldrukkersgast in het huis A.J. Witteryck op Steenbrugge, waar zijn ploegbaas Louis Louwage (vader van de drukker Ch. Louwage te St-Andries) hem de eerste beginselen bijbracht van het marxisme. Niettemin bleef “de Gusten” in de rang van de kristen-demokrates et zocht de plaatsen op, waar ze geregeld bijeenkwamen. Meegesleurd door het entoesiasme van de nieuwe partij en ook aangegrepen door de koorts van de kiesstrijd, greep hij naar de pen en dichtte toen de muze hem goedgezind was, het huldelied van priester Fonteyne dat hij voor het tong in de herberg van “Cissen Roose” ter Stoofstraatje nabij het Walplein. Het luidde als volgt :

“Priester Fonteyne,

“Dat is een man,

“Heelt smart en pijnen

“Zoveel hij kan.

“Hij wil ons redden

“Uit de slavernij.

“Hem moeten we hebben.

“Hij maakt Brugge vrij!”

‘t Viel zodanig mee, dat men besloot het in koor te zingen op de volgende meeting in de herberg “De Wolf” ter Ezelstraat. Van hieruit werd het dan gelanceerd en kende het zo 'n sukses dat het ook door de tegenstrevers, op enkele varianten na, werd gezongen.

Kamervoorzitter Achille Van Acker typeerde de atmosfeer van deze kiesstrijd in zijn “Herinneringen” als volgt:

“Alles werd er op gezet om de verkiezing van Fonteyne te beletten. Nooit werden zoveel meetings gegeven. De katolieke, die heer en meester waren in de streek en zich in lange jaren met die wijkmeetings niet hadden ingelaten, hadden een legertje van georganizeerd en vele jongeren verdienden toen hun eerste sporen in het openbaar. In mijn straat was er meeting in een herberg waar men met de hand het plafond kon raken. Aan alle aanwezigen werden loterijbriefjes uitgedeeld, waarvoor de eerste prijs een mooi huis was. Er werd kosteloos bier getapt en, daar er vier cafeetjes waren in de straat, werden aan alle aanwezigen een aantal “pintebons” uitgedeeld, waarmede zij gratis in andere herbergen konden gaan drinken. Hetzelfde gebeurde in de andere wijken van de stad. Kiesdravers gingen van huis tot huis bij de kleine mensen om vijf frank - een groot zilveren stuk dat ook paardoog werd genoemd - te beloven voor een stem. Het gebruikelijke dagloon bedroeg toen drie frank. Daar de stemming geheim was bestond er geen zekerheid ; waarvan men wist dat ze voor priester Fonteyne zouden stemmen werd tot twintig frank aangeboden om een overeengekomen teken op de stembrief aan te brengen en deze aldus waardeloos te maken. Mensen die verplichtingen hadden werden bovendien bedreigd. Fonteyne werd nochtans verkozen...”

* * *

De overwinning

Fonteyne zegevierde met 8.422 stemmen op zijn naam terwijl zijn rechtstreekse tegenstrever baron en oud-goeverneur Albert Ruzette slechts 4.119 stemmen telde. Dit resultaat betekende voor de kristen-demokraten een buitengewoon sukses. Bij katolieken, liberalen en socialisten heerste grote verslagenheid.

De vraag kan zich nu stellen waar priester Fonteyne het geld vandaan heeft gehaald om zo’n verkiezingsstrijd te voeren. Koken kost immers geld ! Priester Fonteyne kreeg het geld van de schatrijke Georges Marquet, die tot 1909 uitbater was van de kursaal te Oostende, en van de tweede kandidaat op de kartellijst voor de Senaat. de Brugge aannemer Emmanuel De Cloedt. Beiden stelden hun fortuin ter beschikking van Fonteynes kieskampagne. Naar het schijnt deed Marquet met Fonteyne reeds in april 1912 “Toernee” in de Brugse volkswijken en gooide daarbij letterlijk het geld te grabbel/ Niet zozeer uit sympatie voor de kristen-demokraten maar uitsluitend met de bedoeling dat zij niet voor zijn persoonlijke vijanden, Thooris voor de Kamer en Delannier voor de Senaat, zouden kiezen. En inderdaad, Thooris en Delannier vielen door de mand!

Van zodra de uitslag val de parlementsverkiezing bekend was, verzamelden de “Fonteynisten” zich in “de Roode Poort” ter Hallestraat, waar ze lustig begonnen te feesten en pinten te drinken. Met het lied “Priester Fonteyne, dat is een man...” zongen ze zich hun keel hees en schor... tot in verscheidene wijken van de stad incidenten plaatsvonden, waarvan deze in de buurt van de Carmerstraat wel de meest dramatische was en waarbij de 17-jarige longeman Marcel Van Acker door het schot van een politieagent dodelijk neerviel.

Bij gelegenheid van deze klinkende overwinning hielden de kristen-demokraten op zondag 14 juli in “De Kelk” ter Langestraat een volksbanket tegen 2 frank de inschrijving. Niet alleen volksvertegenwoordiger Pieter Daens (broer van priester Adolf Daens) was er aanwezig, maar ook de Daensisten uit Brussel, Antwerpen. Gent, Kortrijk, Deinze, Oudenaarde en Ronse hadden zich door een sterke afvaardiging op dit volksfeest laten vertegenwoordigen. Priester Fonteyne en zijn toen 82-jarige moeder werden er letterlijk in de bloemen gezet. Het oud moederke van priester Fonteyne zat tussen twee volksvertegenwoordigers, haar zoon en Pieter Daens, in een prachtige groene zetel welke Fonteyne na de laatste gemeenteraadsverkiezing van zijn aanhangers ten geschenke had gekregen. Er waren meer dan 300 telegrammen, brieven en kaarten met gelukwensen toegekomen, zelfs uit Amerika, Frankrijk, Hongarije en Nederland!...

Doch de politieke tegenstrevers lieten zich niet onbetuigd, ze dienden klacht in om Fonteynes verkiezing ongeldig te doen verklaren en zorgden ervoor dat heel wat roddelpraatjes over Fonteyne hun gang gingen : dat Fonteyne met een belangrijke som gelf uit Brugge weggevlucht was ; dat hij bij Bernard Minnebo waar hij sedert een tiental maanden op een kamer woonde op straat werd gezet; dat Fonteyne een herberg zou openhouden ; dat hij naar Brussel ging wonen om er met het vrouwvolk te gaan leven ; dat priester Fonteyne 's vrijdags vlees at, enz., enz.

Terwijl zij met alle zonden van Israël werden beladen, bouwden de kristen-demokraten hun organizatie nog beter uit en begonnen aan een massale propaganda waarvoor bals en leesten werden georganizeerd. Zo gaf de wijkbond van de H. Magdalena ten voordele van de propaganda op zondag 27 okt. te 18 u. een bal in de feestzaal “Au Lion d'Or” ter Augustijnenrei. Inkom 30 centiemen. De wijkbond van Ste Anna zorgde anderdeels in zes herbergen van de wijk voor een volksprijskamp, met 60 frank rijzen op kaarten-bieden met opbod, inleg 25 centiemen.

* * *

Nog een dode

Vanzelfsprekend bekommerden de kristen-demokraten zich om alles wat maar dienstig kon zijn om de konservatieven aan te vallen... wantoestanden... de voorhaven van Zeebrugge... tot zelfs het spijtig incident, dat zich in nov. 1912 voordeed in de herberg “Ville de Roubaix” van de h. Haeek ter Langestraat naar aanleid.ng van een “sortietje” in 't gebuurte van een stel echte Bruggelingen, die bij gelegenheid van een doopfeest de bloemetjes even hadden buitengezet. Doch de feestvreugde was slechts van korte duur.

Mannen en vrouwen, akkordeon voorop, trokken voornoemde her berg binnen, waar ze aan 't zingen gingen en een ‘draai mieken’ zoals dat in de goeie. ouwe tijd in de volksbuurten gebeurde. Plots kwam er een agent binnen en zette de herbergier, die geen toelating voor het dansen kon voorleggen, op “den boek.” Terwijl de man van de wet aan 't schrijven was, riep één der lustige feestvierders hem toe: “zal uwen crayon al dat werk kunnen doen ?” De agent schoot hierop in zijn wiek, trok zijn mooie sabel en antwoordde : “Deze hier kan desnoods ook nog schrijven !” De sabel moet op de aanwezigen wel een zonderlinge indruk hebben gemaakt, want enkele mannen op de agent toe om hem zijn sabel at te nemen. De agent kon zich evenwel loswringen, liep naar de deur en schoot van hieruit zijn revolver at. De kogel vloog in de hals van de 23-jarige schildersgast H. Snijsters, die aan tafel zat en dodelijk getroffen neerviel. Deze jongeman. wiens vader bij de stedelijke ruimdienst werkzaam was, overleed enkele dagen later in het hospitaal.

Dit incident verwekte zo’n beroering in de rangen van de kristen-demokraten dat de mandatarissen aangezet werden in de eerstkomende zitting van de gemeenteraad duchtig te interpelleren en de konservatieven in hun hemd te zetten. Deze interpellatie geschiedde bij monde van Bernard Minnebo, die zo heftig tegen de katolieken te keer ging dat de toenmalige schepen Victor Van Hoestenberge, de latere burgemeester en voorganger van burgmeester P. Vandamme, in een Franse koleire schoot, met de vuist op “den pupiter” sloeg en zelfs 't schuim op zijn lippen had.

* * *

Een andere Fonteyne

De oorlog brak uit. Fonteyne woonde toen met zijn moeder en zijn zuster in de Beenhouwersstraat, 115. Fonteynisten verzekerden ons, dat Fonteyne nog dagelijks de H. Mis opdroeg, eerst in het huis ven Bernard Minnebo ter Predikherenstraat waar op een kamer een special altaar opgesteld stond, later in eigen huis. Wat er precies tijdens de oorlog met priester Fonteyne gebeurde, weten we niet. Het was een totaal nieuwe en andere Fonteyne die in de naoorlogse Kamer zetelde. De man was totaal veranderd. Hoewel men hem niets ten laste kan leggen inzake zijn houding t.a.v. de bezetter, toch blijft men naar reden gissen van zijn totale ommekeer. Vooralsnog geloven we dat priester Fonteyne niet wist wat er zich aan het front had afgespeeld ; hij was niet meer “à la page”. Blijkbaar door de gebeurtenissen voorbijgestreefd !

In 1919 overleed in de St-Jozefskliniek ten gevolge van een te lang door de oorlog uitgestelde heelkundige bewerking zijn trouwste luitenant, Narden Minnebo. Samen met de oude getrouwen van de partij woonde priester Fonteyne de begrafenisdienst bij, die helaas door een incident werd ontsierd. Bij de offergang weigerde de celebrant Fonteyne, die onmiddellijk gevolgd werd door het huidig gemeenteraadslid August Declerck, de offerande. Priester Fonteyne draaide zich om, stak de vinger uit naar de celebrant, waarop de verontwaardigde August Declerck tamelijk luid antwoordde : “ik ben tenminste zo slecht als priester Fonteyne”. In een “vroede koleire” keerden beiden naar hun plaats in de kerk terug.

Bij de wetgevende verkiezingen van 16 nov. 1919 werd Fonteyne te Brugge niet meer herkozen. Een groot deel van zijn aanhangers was naar de frontpartij of naar de socialisten overgelopen- Nu brak pas voor een andere Bruggeling, de jeugdige Achille Van Acker, de tijd aan om rich in het wijwatersvat van de politiek te roeren * * *

Leyensschets

Florimond Fenteyne zag het levenslicht te Hottem bij Veurne op 1 maart 1856 als derde kind en eerste zoon uit een landbouwersgezin, dat in 1880 uit leven kinderen bestond. Hij ontvang de priesterwijding op 26 aug. 1883 en werd achtereenvolgens onderpastoor te Aartrijke (1883-1890), te Tielt (1890-1895) en te Brugge (St-Annaparochie van april 1895 tot 1897). Dan werd hij omwille van zijn Daensistische gezincheid in dezelfde funktie overgeplaatst naar Zarren bij Diksmuide.

Plots verliet hij Zarren en hield zich toen op te Antwerpen. In mei 1900 werd hij door de bisschop van Brugge uit zijn priesterlijke funktie ontheven en gesuspendeerd. Voor zijn verblijf te Antwerpen is er van Fonteyne slechts een adres met zekerheid gekend, nl. Solvynstraat, nr. 57. Onze Brugs-Brusselse kollega Herman Bossier liet ons evenwel opmerken dat Fl. Fonteyne wel te Antwerpen een herberg on de Ossenmarkt zou hebben uitgebaat, waar Bernard Tocky destijds bestuurder (met Dierickx) van de Kon. Opera van Antwerpen een recital zou hebben gegeven voor een nieuwe “soutane” voor priester Fonteyne. Tussen 1900 en 1911 verbleef Fonteyne ook te Brussel en van dit verblijf zijn ons twee adressen bekend : Van der Borgtstraat 26, Koekelberg en Vooruitgangstraat 345, bij het Noordstation.

In 1911 daagde priester Fonteyne te Brugge op om er de leiding van de partij in handen te nemen. Hij verbleef er aanvankelijk bij Bernard Minnebo, Predikherenstraat 20. Op 15 oktober 1911 werd hij tot gemeenteraadslid van Brugge en op 2 juni 1912 tot volksvertegenwoordiger verkozen. Vóór het uitbreken van de eerste wereldoorlog woonde hij, samen net zijn moeder en zuster, ter Beenhouwersstraat 115. Bi} de Kamerverkiezingen van 16 november 1919 werd Fonteyne niet meer als volksvertegenwoordiger herkozen. Hij verliet Brugge en woonde var maart 1920 tot 18 juli 1922 te Elsene, Brugmannlaan 194. Nadien vertrok hij naar Algerië, waar hij te Bougie op 4 juli 1923 overleed.


(Extrait du Brugsch Handelsblad, du 4 novembre 1967)

"Priester Fonteyne, dat was een Man..." GESPLETENHEID VAN EN BRUGS ROMANFIGUUR (IV)

De deemstering van priester Fonteyne

Met zeer grote belangstelling zullen de lezers van dit blad de boeiende bijdragen over priester Fonteyne gelezen hebben. Wat de feiten betreft, zijn zij goed gedokumenteerd. In het besluit wordt er terecht op gewezen dat het een totaal nieuwe en andere Fonteyne was die in de Kamer na wereldoorlog I zetelde.

« De man was totaal veranderd. Wat er precies tijdens de oorlog met priester Fonteyne gebeurde, weten we niet. Wien blijft naar de reden gissen van zijn totale ommekeer. Vooralsnog geloven wij dat priester Fonteyne niet wist wat er zich aan het front had afgespeeld.”

Inderdaad en te onbegrijpelijker is het dat Fonteyne blind bleef voor hetgeen de kristen-demokraten, de vroegere Daensisten, zijn vrienden, in het arrondissement Aalst deden. Daar sloten zij aan bij de Frontpartij en de lijst had twee gekozenen : advokaat Hendrik Borginon en onderwijzer Van Opdenbosch. Fonteyne die vóór de oorlog een voorvechter was voor de vervlaamsing van de Gentse universiteit, verzette er zich tegen na de oorlog. Gent moest franstalig blijven. Wilde men een Vlaamse universiteit, dan moest men die maar te Antwerpen oprichten.

Zijn vroegere aanhangers in het arrondissement Brugge, en ook daarbuiten, stonden verbijsterd en sloten zich aan bij de Fronfpartij. Van toen af was het lot van Fonteyne bezegeld. Hij schijnt er een voorgevoel van gehad te hebben. Tijdens zijn laatste meeting te Brugge besloot hij tot ieders verbazing zijn toespraak als volgt : “Indien gij van oordeel zijt dat een ander kandidaat beter is dan ik, welnu, schenk hem dan uw stem.”

Zijn politieke ondergang verwonderde niemand. Na diens val ontmoette de Bruggeling André Baekeroodt, oud-hoofdredakteur van de Journal de Bruges » van Le Réveil acht jaar geleden overleden, en die de strijd in 1912 had meegemaakt, te Brussel op straat Paul-Emile Janson. Het gesprek liep als vanzelf over het débacle van priester Fonteyne. Janson, zo vertelde ons Baekeroodt zelf kort vóór zijn dood, schudde mistroostig het hoofd en zuchtte : « Un homme à la mer…”

Fonteyne had alle kontakt verloren met de werkelijkheid en was te Brugge onder de indruk gekomen van de Belgische nationalisten. Hadden zij hem financieel geholpen tijdens de bezetting, toen hi] te kampen had met ontbering ? Had hij zich laten ompraten door valse vrienden die hem in een valstrik wilden lokken ? Wie zal het zeggen ? Het was een pijnlijke ondergang. Nauwelijks één jaar nadat hij het land verlaten had om het genadebrood te eten in Noord-Afrika, gat hij de geest, op 67-jarige leeftijd.

Te Brugge had hij zijn zetel verloren. De socialisten hadden er twee veroverd. Zijn trouwe luitenant August Declerck, die zijn artikel in het eerste naoorlogse nummer van De Volkseeuw geopend had met (…) roep : < Mijn eerste woord is voor u, priester Fonteyne”, zag geen brood meer in de kristelijke demokratie en ging zich ten slotte vervoegen bij de rangen van de overwinnaars van de dag.

H.B.


(Extrait de ROTSAERT K., Lexicon van de parlementariërs uit het arrondissement Brugge, 1830-1995, Brugge, 2006)

Onderhield al contacten met de Aalsterse priester Adolf Daens vooraleer hij in 1895 onderpastoor werd op de Brugse St-Annaparochie. Vormde daar een kern van democratisch gezinde en Vlaams bewuste jongeren. Was betrokken bij de oprichting van een onafhankelijke “Christene Volkspartij” te Bruge in 1896 et maakte er propaganda voor. Werd daarom door bisschop G. Waffelaert gesuspendeerd. Was achtereenvolgens kandidaat voor de christendemocraten in Antwerpen (1900), Gent (1904) en Brussel (1910), maar werd nergens verkozen. Stichtte de wekbladen “Het Vrije Volk” (Antwerpen), “De Nieuwe Tijd” (Brusel) en “De Volkseuw (Brugge). Kwam naar Brugge terug om er deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen van 1911. Werd samen met nog drie anderen kandidaten verkozen. In 1912 verkozen tot volksvertegenwoordiger op een kartellijst met liberalen en socialisten, na de meest bewogen kiesstrijd die Brugge gekend heeft. Zowel in de gemeenteraad als in het Parlement trad hij op als een sociaal zeer bewogen en radicaal Vlaamsgezinde democraat. Na de Eerste Wereldoorlog verzeilde hij evenwel in het Belgisch patriottische kamp en werd in 1919 niet verkozen. Verarmd en verlaten hij naar Algerije en werd er toezichter van een likeurstokerij door een Bruggeling uitgebaat. Omwille van de travaillistische neiging bij Fonteyne, werd zijn beweging “Fonteynisme” genoemd om een onderscheid te maken met het meer gematigde “Daenisme.”


Voir aussi : ROTSAERT K., VAN CAMPENHOUT N., Fonteyne Florimond Alphonse, dans la Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (conultée le 25 février 2026)