Accueil Séances Plénières Tables des matières Législation Biographies Documentation Note d’intention

Duysters Edmond (1871-1953)

Duysters Edmond, Emile, Jacques catholique

né en 1871 à Lierre décédé en 1953 à Boechout

Représentant 1913-1921 , élu par l'arrondissement de Anvers

Biographie

(Extrait de Edmond Duysters, sur le site consacré aux personnalités enterrées au cimetière de Berchem (www.schoonselhof.be) (consulté le 15 mars 2026).

Edmond Duysters (Lier 26-3-1871 / Boechout 13-8 1953) was de zoon van een textielfabrikant Hij promoveerde in 1894 in de rechten in Leuven. Hij begon als advocaat-stagiair bij Hector Le Bon (1863-1935) die een rol speelde in de Antwerpse politiek en op het Schoonselhof begraven ligt Hij was ook voorzitter van de raad van beheer van een glasfabriek Duysters ging ook in de politiek en kwam, net als Le Bon, op voor de Katholieke Unie. Hij was actief op lokaal vlak in Berchem, als lid van Gemeenteraad Berchem (1903), als schepen (waarnemend vanaf 13/11/1914 ter vervanging van Jan Moorkens, schepen op 3 mei 1915) en burgemeester van 14 augustus 1921 tot 7 juni 1922. Hij werd ook verkozen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers voor het arrondissement Antwerpen. Hij zetelde van 6 mei 1913 tot 1921, in het begin ter vervanging van Jean-Baptiste De Winter. Op 7 juni 1922 werd hij evenwel veroordeeld wegens fraude en bijgevolg uit zijn ambt van burgemeester ontzet.


(Extrait du Handelsblad, du 22 avril 1922)

Een ophefmakende zaak. Duysters ter verantwoording. Het lot van een speler.

De betichte.

Edmond Emile Duysters, aangcteckend als zijnde zonder beroep, werd geboren te Lier op 26 Maart 1871 en woont te Berchem. Hij was advokaat en burgemeester van laatstgenoemde gemeente.

* * *

De betichting.

Duysters is beticht van te Berchem of elders in België, tusschen 25 Juni 1919 en 10 Februari 1920, ten nadeele van den Belgische Staat, ongeveer twee millioen en half franks te hebben verduisterd. Die verduisteringen gebeurden in 46 keeren of in 46 posten.

De rechtbank is voorgezeten door den heer Montens, onder-voorzitter, éénige rechter ; M. De Schepper, procureur des Konings, bekleedt den zetel van het openbaar ministerie ; griffier : M. Gallemaert.

* * *

De ondervraging.

De zitting wordt geopend te 9 uur.

De verhandelingen gebeuren in de Fransche taal, op vraag van Duysters.

De heer voorzitter begint met de ondervraging van den betichte.

V. Gij waart beheerder van hoeveel sekwesters ?

A. Ik geloof 22 of. 23.

V. De expert zegt 25. Heeft de heer voorzitter u die spontaan gegeven ofwel, hebt gij er naar gevraagd?

A. Ik heb die spontaan gekregen. Ik moet echter bijvoegen dat er sekwesters waren die ik aangevraagd heb omdat zij beter pasten bij degene die ik roeds had.

V. Gij had een groot cabinet als advokaat, gij naamt een werkend deel in de politiek en waart zelfs beheerder van verschillende maatschappijen.

A. Een of twee maatschappijen.

V. Vont ge niet dat met al die werkzaamheden het u niet mogelijk was van u met de sekwesters bezig te houden ?

A. Indien ij in 1919 al die sekwesters tegelijk gekregen had, zou ik het niet aangenomen hebben. Maar ik had eerst enkele sekwesters en daarna zijn de anderen er bij gekomen.

V. Welk was uw persoonlijke financieele toestand in begin 1919 ?

A. Gedurende den oorlog, ben ik verplicht geweest mijne spaarpenningen op te eten. Toen in 1918 het Belgisch gerecht werd opgeschorst, bevind ik mij in een neteligen toestand. Ik vatte als dan het gedacht op om mij eenige winsten aan te schaffen door handel te drijven in sigaren, onder den naam van een derde persoon. Ik had daarvoor een credit van 160,000 fr. bekomen op de “Banque de Commerce”. Maar in Augustus 1918 werden de sigaren door de Duitschers aangeslagen en had ik niets meer.

V. Door wien was die leening van 160,000 frank gewaarborgd ?

A. Ik had van een oom openbare fondsen in bewaring gekregen en heb die als waarborg gegeven.

V. Hebt gij niet een omzendbrief gekregen dat de gelden van de sekwesters moesten op de bank belegd worden ?

A. Ik weet niet of die omzendbrief mij onder de oogen is gevallen, maar dan ik er toch geen aandacht op gegeven.

V. In uwe hoedanigheid van advokaat wist gij nochtans zeer goed dat gij rekening moest geven van het geld ?

A. Natuurlijk.

V. Hebt gij nooit gemeend dat de nationale eer hier in ’t spel was?

A. Ik dacht van spoedig geld te winnen door speculaties om de schuld van 160,000 fr. te betalen. Ik heb er alsdan niet aan gedacht dat ik geld gebruikte dat mij niet toebehoorde. Ik heb mij de vraag gesteld zonder ze te beantwoorden.

M. de procureur. – Dis is te betreuren. Gij hebt nochtans bekent aan den onderzoekrechter dat gij een oneerlijke daad begaan hebt.

A. – Ik loochen dit niet.

V. – Hebt gij nooit gedacht aan het gevaarlijke der speculaties ?

A. – De meeste fondsen gingen omhoog en ik hoopte eene spoedige winst, zonder te denken aan de gevolgen der speculaties.

V. – Gij bekent dus eene som va ongeveer 2,600,000 fr. schuldig te zijn aan den Staat ?

A. – In juni 1919 kreeg ik ongeveer twee miljoen van de twee grootste sekwesters, waaronder de “Wollkamerei” van Hoboken.

M. de procureur. – Duysters verklaart dat hij niet goed wist alsdan wat hij met dit geld moest doen. Later had hij het toch moeten weten, daar hij zelfs deel uitmaakte van de commissie der Kamer. Hij moest ook weten hoe men op eerlijke wijze de goederen van iemand anders moet beheeren.

Vervolgens werden de cijfers der experten betwist. De heer voorzitter doet opmerken dat dit beter kan gedaan worden wanneer de experten komen getuigen.

* * *

De burgerlijke partij

Mr. Mullens, pleitbezorger, stelt zich aan als burgerlijke partij uit naam van den Belgischen Staat.

Mr Ryckmans, verdediger, verklaart zich alle rechten voor te behouden aangaande die aanstelling van burgerlijke partij.

Mr Vaes, uit naam van den Staat, vraagt of de verdediging de ontvankelijkheid betwist.

Mr Ryckmans verklaart dat hij voorbehoudingen maakt omdat het gled der sekwesters niet toebehoort aan den Staar, maar wel aan de Duitschers en andere vreemdelingen, zoolang eene wet er niet ander over beslist.

M. de procureur. – Betwist gij de ontvankelijkheid ?

M. Ryckmans. – Ik verlang eerst lezing te hooren der besluiten van de burgerlijk partij.

Mr Mullens geeft lezing der besluiten van den Staat, waarbij deze vergoeding vraagt eener som van 2,603,000 fr.

Mr Ryckmans doet opmerken dat de Staat alleen “dépositaire” is van het geld der sekwesters, dat de wet het niet toekent aan den Staat.

M. de procureur des Konings doet opmerken dat zelfs in dit geval de zaak hetzelfde blijft, daar er sommen verduisters werden die in bewaring waren gegeven aan den Staat. Deze is dus zonder twijfel gewettigd om deze sommen terug te eischen.

Het incident wordt gesloten met de verklaring van Mr Ryckmans, die zich tevreden verklaart met zijn rechten voor te behouden.

* * *

Het getuigenverhoor

M. Mechelynck, onderzoeksrechter bevestig zijn onderzoek. Hij voegt er bij dat Duysters speelde en alzoo veel geld verloren heeft. Er berust in het dossier eene kopij van een brief geschreven door betichte aan zijn broeder. In dit chrijven zegt Duysters dat hij sekwesters heeft gekregen en dus hoopte van veel geld te winnen.

In een verloop van drie maanden had Duysters één miljoen betaald aan den wissenlagent Van K… te Brussel, om de best gekolderde fondsen te koopen en er mede te speculeeren.

M. Van Riel, expert, heeft de boeken en aangeslagen papieren onderzocht. Hij bevestigt zijn verlag en de cijfers die er in aangestipt worden.

M. Procureur. – Duysters heeft dus niey alleen het geld der sekwesters gebruikt om te speculeeren; hij heeft ook er mede oude schulden betaald ten beloope van ongeveer 200,000 fr.

Duysters betwist de cijfers der experten en betreurt dat deze laatsten hem niet ondervraagd hebben over vele posten.

De betichte begint te weenen wanneer de heer procuteur aandringt om te weten van welk geld hij de oude schulden betaald heeft.

Duysters. – Ik heb nooir het geld der sekwesters gebruikt dan om te speculeeren.

M. de procureur. – Maar gij hadt niet anders ; van wat bent gij dan uwe schulden betaald ?

M. Ryckmans. – Maar mochten de sekwesters dan geen voorschotten nemen om hun honorariën te betalen. De nota van het parket laat dit zelfs toe. Moest men er anders over denken, dan kon men al de sekwesters doen verschijnen voor de rechtbank.

Een laatste getuige, die gelast was met het nazien der rekeningen der sekwesters, komt verklaren dat hij meermaals en gedurende zeven maanden, brieven schreef aan Duysters om deze aan te man zich in regel te stellen tegenover den Staat.

Daarmede is het geluigenverhoor afgeloopen.

* * *

De pleidooien. De burgerlijke partij

Mr. Vaes, in eene zeer korte rede, houdt zijn besluiten staande. Hij ook betreurt dat de experten, alvorens hun verslag te sluiten, geen soort confrontatie doen met den belichte. Alzoo zouden vele kleinigheden ineens geregeld zijn en niet meer dienen betwist te worden ter zitting.

Mr. Vaes besluit met het vergen van 2 millioen 603,000 fr. schadevergoeding, met den intrest sedert Juni 1919.

* * *

Het rekwisitorium

M. de Schepper, procureur des Konings, spreekt zijn rekwisitorium uit en toont zich uiterst streng tegenover den belichte. De heer procureur wijst op de manier waarop het geld der sekwesters verduisterd werd door den betichte, die het niet allen gebruikte om te speculeeren maar er zijne oude schulden mede te betalen en zelf ervan 30,000 fr. nam om op naam zijner vrouw en kinderen te zetten.

Er zijn in het geheel 47 feiten gepleegd die moeten gestraft woorden door 47 straffen opdat gij, heet voorzitter, aan Duysters, het dubbele van het maximum voorzien door art. 240 (d.w.z. 10 jaar) zoudt kunnen toepassen.

Het openbaar ministerie gaat verder om te bewijzen dat de 47 feiten niet een en hetzelfde inzicht uitmaakt en alzoo maar een enkele straf verdienen, maar wel dat elke verduistering een alleenstaand delict uitmaakt.

“ De betichte Duysters droomde misschien van milliardaire te worden. Hij heeft gedacht vab ongestraft te worden. Toen ik hem ging aanhouden, zegde hij mij : “Gij vreest dus niet van een schandaal te verwekken.” Hij scheen dus zelfs niet te gelooven dat er alleen maar schandaal zou bestaan, indien men hem in vrijheid has gelaten. Ik heb voor Duysters, voor die advokaat, voor die burgmesteer, minder achting dan voor een kassier die met de kas van zijn patroon gaat loopen om met het geld op de koers te spelen of in zijn huishonden te gebruiken.

“ Duysters heeft de nationale eer diep gekrenkt, hij heeft de minachting geworpen op de balie aan dewelke hij de eer had toe te behooren.

“ Ik vraag u, mijnheer de voorzitter, van zonder genade te zijn voor dien man !”

* * *

De verdediging

Mr Ryckmans neemt alsdan het woord. Hij verklaart dat hij niet meer verwachtte vanwege het openbaar ministerie, maar dat hij hoopt dat de heer voorzitter er anders zal over denken.

De achtbare verdediger gaat verder met te verklaren dat hij vrijwillig de verdediging van Duysters io zich genomen heeft et dat al de andere advokaten zulks zouden gedaan hebben, omdat het hun beroep is van zich te bukken over de miseries van deze wereld. Duysters verdient verzachtende omstandigheden, verklaart Mr Ryckmans, en de wet staat een minimum van 3 maanden gevangenis toe.

Mr Ryckmans tracht te bewijzen dat de verschillende verduisteringen van Duysters maar één en hetzelfde inzicht uitmaken en dat de thesis van den procureur den Konings dus niet kan gevolgd worden; dat van een som van één miljoen, welke ineens genomen werd, men twintig verschillende feiten gemaakt heeft.

Aangaande de kwestie der betaling van oude schuld hij middel van het geld der sekwesters, doet Mr Ryckmans opmerken en daarvoor geld trok, dat hij advokaat was en daarmede eveneens veel geld verdiende.

Daarenboven has zijne vrouw geërfd van vader.

M. de Voorzitter. – Ik moet u doen opmerken, Mr Ryckmans, dat Duysters altijd in het onderzoek heeft verklaard dat het fortuin zijner vrouw niet met hij zijne gemengd was.

Duysters. – Ja, het is juist daarom dat de 30,000 fr. akties gekocht op naam mijner vrouw niet van de sekwesters maar wel van die erfenis voortkomen.

Mr Ryckmans vraagt aan den voorzitter van in het hart te lezen van Guysters en zich te stellen op het moreel standpunt der feiten. Duysters had eene prachtige positie toen hij sekwester werd, maar hij had eene schud van ongeveer 180,000 fr. Had hij dan geen aankloppen hij eenige vrienden, men had hem aanstonds geholpen. Maar toen kreeg hij opeens millioenen in handen. Op slechter raadgevingen van den wisselagent van Brussel, leverde hij zich aan spelen met fondsen en… verloor. Hadde hij gewonnen, hij ware niet vervolgd geweest.

“Ik besluit : Duysters is vader van vijf kinderen. Een zijner zonent gaar zijn Vaderland en de andere gaar God dienen. Wanneer Duysters zijne straf zal uitgedaan hebben, moet hij hier vertrekken en de lange, moeilijke baan op. Thuis zitten nu de vrouw en de kinderen te bidden voor hem en voor u, mijnheer de voorzitter. Ik vertrouw u zijn lot toe. Dat de gerechtigheid den menschen niet strenger weze dan die van God. Ik heb gezegd.”

M. de voorzitter verklaart dat hij morgen, Zaterdag, uitspraak zal doen.

De zitting werd geheven te 12 3/4 uur.


(Extrait de De Nieuw Gazet, du 2 juin 1925)

Invrijheidstelling

De gewezen burgemeester van Berchem, Edmond Duysters, die in Januari 1922 aangehouden en tut tien jaar gevangenisstraf veroordeeld werd, zal de gevangenis in de Begijnenstraat verlaten den 5 Juni, daar hij zich in de voorwaarden bevindt om van strafvermindering te genieten.