Accueil Séances Plénières Tables des matières Législation Biographies Documentation Note d’intention

Delbeke Julien (1859-1916)

Portrait de Delbeke Julien

Delbeke Julien, Edouard catholique

né en 1859 à Thourout décédé en 1916 à Roulers

Représentant 1904-1916 , élu par l'arrondissement de Roulers-Thielt

Biographie

(DE BRUYNE M., dans Nieuw Biografisch Woordenboek, Bruxelles, 1968, t. III, col. 251 et suivantes)

DELBEKE, Julius Eduardus, geneesheer, letterkundige, volksvertegenwoordiger.

Geboren te Torhout op 15 jan. 1859 ; overleden te Roeselare op 11 febr. 1916. Oudste zoon van Felix, slachter, afkomstig uit Lichtervelde, en zijn tweede echtgenote Augusta Lagast. Gehuwd met Felicia Maria Croigny (Lo 1860-RoeseIare 1891), bij wie hij drie kinderen had. In 1892 een tweede maal gehuwd met Edmunde Josephine Vandamme (Roeselare 1863-Bosvoorde 1945). Uit zijn tweede huwelijk werden vijf kinderen geboren, onder wie Frans (Roeselare 1890-Londen 1947) die tussen beide wereldoorlogen in het Vlaamse letterkundige milieu naam verwierf als toneelschrijver (o.a. in samenwerking met Gerard Walschap), novellist en redacteur van het weekblad Het Vlaamsche Land.

Delbeke volgde van 1873 tot 1879 op schitterende wijze de humaniora in het klein seminarie van Roeselare. Hij volgde de vierde Latijnse toen Albrecht Rodenbach de retorica deed. Te Roeselare was hij nauw bij de Blauwvoeterie betrokken. In 1879 ging hij te Leuven geneeskunde studeren. Aldaar stichtte Delbeke de Westvlaamsche Gilde (waarschijnlijk in 1880) en werd er de eerste voorzitter van. Hij stichtte tevens De Vlaamsche Wekker en schreef menig artikel in de satirisch-getinte Vlaamse strijdbladen De Tassche en Kwaepenninck. Delbeke noemde zichzelf van Rodenbachs “Vlaamschen geest doordrongen”. Zijn Leuvense tijd bracht hem in contact met Emiel Lauwers, Alfons Depla e.a. Hij onderhield vriendschap met Albrecht Rodenbach, Zeger Maelfait, Alexis Decarne, Eugeen Van Oye.

Als geneesheer kwam Delbeke zich te Roeselare vestigen in 1886, waar hij een vooraanstaand Vlaams strijder bleef. Bij de oprichting aldaar van het praalgraf voor Albrecht Rodenbach in 1883 nam hij er het woord, tezamen met zijn vriend dr. Adolf Verriest. In 1909 was Delbeke promotor van de oprichting van het blauwvoetstandbeeld voor Rodenbach te Roeselare.

Meer en meer trad Delbeke op het politieke voorplan : in 1895 als katholiek mandataris in de Roeselaarse gemeenteraad en in 1896 in het schepencollege. In 1904 werd hij katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Roeselare-Tielt. Hij bleef zijn zetel behouden tot aan de eerste wereldoorlog. Zijn parlementaire activiteit tekende zich vooral op het Vlaamse en op het sociale plan af. Hij kwam aan de spits van de katholieke Vlaamse kamervleugel, die zich beijverde voor de vervlaamsing van het onderwijs, het leger en vooral van de Gentse universiteit. Delbeke ondertekende in dit verband verschillende amendementen op wetsvoorstellen waarin geen taalregeling was voorzien. Zijn politieke regeling was voorzien. Zijn politieke opvattingen lagen zeer dicht bij de stellingen van Frans Van Cauwelaert, Leo Van Puyvelde, professor Emiel Vliebergh en dr. Laporta. In 1907 was Delbeke lid van de tweede Hogeschoolcommissie (Lodewijk de Raet) i.v.m. de vervlaamsing van de Gentse alma mater. In 1913 diende hij (samen met Van Cauwelaert, Persoons, Franck, Van de Perre) verschillende flamingantische amendementen over het taalgebruik in bij de wet-PouIIet op het lager onderwijs, waarvan het ontwerp geen enkele bepaling over het taalgebruik bevatte, en i.v.m. de trapsgewijze vernederlandsing van de Gentse universiteit.

Delbeke's letterkundige activiteit dateerde reeds van zijn collegetijd. Samen met Emiel Lauwers en Camiel Marichal schreef hij een historisch drama KareI de Goede, graaf en martelaar. Uit Leuven dagtekent zijn vaderlands drama De Brugsche Metten. Talrijke artikels van zijn hand liggen verspreid in De Vlaamsche Wekker, Tassche, Kwaepenninck en in Nieuwe Wegen, een letterkundig maandblad (1910-1914), dat te Roeselare verscheen (en waaraan o.a. Warden Oom, Lodewijk Dosfel, Ferdinand Rodenbach, Jozef Simons meewerkten).

Delbeke schreef ook poëzie : in 1903 een dichtstuk De Mandelstad, gewijd aan Roeselare. In 1904 bekwam hij de tweede prijs voor toneelkunde van de stad Antwerpen (na Raf Verhulst) met zijn libretto De Voddenman. In 1910 verscheen het toneelstuk De Gypten in Vlaanderen (Roeselare).

Op plaatselijk vlak speelde Delbeke een invloedrijke rol als animator van het katholiek Blok en inspirator van gedegen Vlaamse culturele actie. Hij was van 11 maart 1892 tot 11 nov. 1904 voorzitter van de Roeselaarse letterkundige vereniging “De Vriendschap" , die met haar corresponderende leden (Verriest, Gezelle, Verschaeve) contact onderhield met de culturele beweging uit gans het Vlaamse land.

Delbeke was een gewaardeerd redenaar, vooral in Hoogstudentenmilieus, een markant kunstliefhebber en een sociaalvoelend man.